m. 02 May 1790
» Group Sheet
Delen van dit verhaal wel eens gehoord van mijn grootmoeder
Uit eene Drentsche familiegeschiedenis
door
Harm Tiesing.
In de vroegere jaargangen van dezen almanak werden meermalen familiën behandeld die, in verband met de omstandigheden en toestanden van hun tijd, van belang waren voor het nakroost. Meestal waren de personen dier familiën van den voornamen stand.
Er werd iets medegedeeld, dat elders niet beschreven was, dat niet algemeen bekend was. Wij hebben met belangstelling dergelijke artikelen gevolgd, en komen, naar aanleiding daarvan, tot de vraag: Waarom ook niet eens iets uit de minder voorname familiën, uit die van den landbouwenden stand? Dat daarvan maar zoo weinig geschreven werd, vindt, dunkt ons, zijne oorzaak hierin, dat zij, die eene zoodanige familie wel kennen, niet genoeg intellectueel ontwikkeld waren, om er eene beschrijving van te geven, en dat zij, die wel zoo iets zouden hebben kunnen beschrijven, dezen stand niet kenden. Wij willen daarom voor dit jaar eens iets schrijven over eene Drentsche familie van den boerenstand, en verkregen daarvoor de kennis uit mededeelingen van onze reeds lang overleden ouders, uit onze eigene ervaring en dpor hetgeen wij van den lateren tijd hoorden.
Er woonde te Ees in de gemeente Borger in het laatste kwart der 18e eeuw een landbouwer, genaamd Hendrik Paas. Hij was de huurder van eene boerenplaats der te Ees bekende familie Heling. Niet den heerschap Heling, maar den meierboer Paas hebben wij hier op het oog. Heerschaps-familie stond onder verdenking van hekserij. De menschen beschuldigden er hen van, en de heerschap was daar wel eens over verontwaardigd. Een der kinderen van Paas zou iets gezegd hebben, wat den heerschap ter ooren was gekomen, en hij wilde daarover zijn meier onderhouden. De meier voegde den heerschap deze woorden toe: ,,Heerschap, het woord, dat gij het heksenwerk kent, dat hebt gij, maar of gij de daad hebt, weet ik niet." Toen dit gezegde van den meier bekend werd, dachten de buren, dat Hendrik zich nu wel van eene andere boerenplaats zou moeten voorzien. Maar de heerschap sprak nooit weer met zijn meijer over heksenwerk en de meier bleef wonen. Paas en zijne vrouw Froukje werden des nachts onverwachts wakker. Er was veel beweging op de dorpstraat te Ees. Paardengetrappel en eenig geschreeuw werden gehoord. Hendrik zeide: ,,Hoor eens, Froukje - hoor eens - de Franschen te Ees." En Froukje, die niet had kunnen gelooven, dat hier Franschen zouden komen, had het ook gehoord - dus - de Franschen waren er. Heel voorzichtig werd eene deur geopend en naar buiten gezien. De maan scheen helder, het dorp lag in diepe rust en - er waren geen Franschen. Nu geloofde Froukje het ook, dat de Franschen zouden komen. Zij hadden er immers het voorteeken van vernomen. Ongeveer tien dagen later hoorden Hendrik en Froukje weer hetzelfde als in dien nacht en zij zagen des ochtends de vermagerde paarden der Franschen aan de eikenboomen gebonden.
Het kroost van dit echtpaar bestond uit een zoon en vijf dochters, wier namen hier genoemd worden, omdat zij voor ons verhaal noodig zijn, als Rika, Trijntje, Hendrik, Grietje, Roelofje en Willemtje, allen te Ees geboren. Wij zullen hen volgen op hun verderen levensweg, ten tijde nog van het leven en na het overlijden der ouders. ,
Rika was getrouwd met een landbouwer te Emmen, Jan Hilbrands, den oom van onze moeder, welken ouden man wij nog gekend hebben. Hij was in 1812 met Napoleons leger op reis gegaan naar Rusland, was in Polen gedeserteerd om bij nacht door Noord-Duitschland te trekken, waarna hij na het doorstaan van veel moeite en ontbering in Drenthe aangekomen was. Uit het huwelijk van Jan Hilbrands waren vijf kinderen gesproten. Grietje woonde later, toen zij gehuwd was, bij haar ouden vader in huur op de gehuurde boerderij. Froukje trouwde met Wolter Trip en dit echtpaar is in de jaren vóór 1860 naar Noord-Amerika vertrokken. Annigje huwde een bouwkundige te Emmen. Hendrik was een timmerman en vond, vóór hij gehuwd was, den dood onder een vallend gebintwerk bij het richten van een nieuw huis en Jan werd vervener.
Trijntje was de tweede, die in het huwelijk trad. Zij kreeg een minnaar uit de gemeente Anloo, die zijne tochten per rijpaard aflegde. Het was een wit paard, waarop hij van Anloo naar Ees reed, en ieder herkende dus spoedig den minnaar van Trijntje Paas. Van dezen man, genaamd Hendrik Goedkoop, maken wij hier eene bijzondere vermelding, om het merkwaardige van zijn levensloop, en omdat hij onze grootvader van moeders zijde is geweest. Hem trof in het tweede huwelijksjaar met Trijntje een ongeval, dat hem voor altijd onbekwaam maakte, om zijn beroep als landbouwer te blijven uitoefenen. Wegens ongesteldheid wenschte hij eene aderlating te ondergaan, welke door een niet-geneeskundige gedaan werd, die dit wel meer deed. Deze kleine operatie werd zijn ongeluk. De arm zweerde op, en toen er geneeskundige hulp werd ingeroepen, werd geconstateerd: Het vuur in de arm, waarvan men in onzen tijd misschien zou gezegd hebben: Bloedvergiftiging. De arm moest geamputeerd worden en de man heeft met een arm den 75 jarigen leeftijd bereikt. Eerst werd hij aangesteld tot ,,koescheper", d.i. hij moest een aantal jong rundvee dagelijks bewaken, hetwelk in een gemeenschappelijke onverdeelde weide liep. Tevens werd hij door de h.h. Kniphorst en Homan, notarissen te Zuidlaren en Vries, aangesteld als ,,pander", of oproeper voor alle publieke verkoopingen van onroerend en roerend goed in beide gemeenten. Tevens was hij, in den tijd, waarin het postverkeer nog zeer gebrekkig was, veel als bode voor expresse bestellingen, het overbrengen van gelden, in hun dienst, toen zijne betrekking als koeherder overbodig was geworden, doordat de weiden gescheiden werden. Hij was in staat, om verbazende tochten te voet af te leggen, kwam zelfs veel te Groningen en te Assen. Hij heeft als getuige tal van authentieke stukken geteekend, was een goed ontwikkeld persoon en werd de vraagbaak voor velen. Uit zijn huwelijk kwamen voort vijf kinderen, waaronder de moeder van ons. Hij overleed op 75 jarigen, zijne vrouw op 80 jarigen leeftijd in de jaren kort voor 1870. Van de andere kinderen uit het huwelijk van Hendrik Paas en Froukje te Ees zij hier vermeld, dat de zoon een zeer bekwaam landbouwer te Buinerveen werd, die veel voordeel heeft'gehad van de veenboekweitteelt. Van hem waren 7 kinderen aanwezig, die allen later in de veenstreken hebben geleefd en gewerkt. , Een zuster van dezen tweeden Hendrik Paas was gehuwd met een kleermaker in de veenstreek Buinerveen, die een zeef'sober bestaan heeft gehad.
Een der flinkste meisjes van Grietje was met een huurboer te Bronneger gehuwd. Zij was eene wakkere vrouw, die zes kinderen heeft opgevoed in een welvarende boerderij. De laatste zuster woonde te Drouwenerveen als de echtgenoote van een landbouwer met veel veen, dat toen nog niet in exploitatie was, zoodat deze niet onvermogende toch een schraal bestaan had. Van de zes kinderen uit dit eerste echtpaar waren er dus vier in de gemeente Borger gebleven en twee er buiten gegaan. Onder de kleinkinderen waren er drie, die den voornaam Froukje hadden ontvangen, terwijl ieder der kinderen op één na een zoon had, die den naam Hendrik droeg. Wij zien hier uit, hoe de gewoonte, om de voornamen der ouders op de kinderen te doen overgaan, sterk was in Drenthe.
Van het eerste echtpaar Hendrik Paas en Froukje waren er dus 27 kleinkinderen in leven. Toen Rika op hoogen leeftijd te Emmen stierf, was het aantal kleinkinderen en dat der familieleden van Hilbrands zijde zoo groot, dat het aantal volgelingen naar haar laatste rustplaats meer dan honderd heeft bedragen. Men begrijpt hieruit, dat in dien tijd (1850 tot 1860) verre tochten te voet of per wagen werden afgelegd om een overledene grafwaarts te volgen en eene begrafenis bij te wonen.
Het getal der afstammelingen van den tweeden Hendrik Paas te Buinerveen, die daar omstreeks 1885 overleed, bedraagt in de tweede en derde generatie meer dan 30 personen, meest allen in de gemeente Borger wonende. Dat van Jan Hilbrands bedraagt nog 12 a 15 Van Hendrik Goedkoop zijn nog twee kleinkinderen, waaronder schrijver dezes, en eenige achterkleinkinderen over. Van Roelofje zijn nog vier kleihkinderen bekend, van Grietje weer enkele, waaronder nog eene Froukje, welke voornaam ons nog herinnert aan het eerste echtpaar te Ees, terwijl van Willemtje's eenigen zoon vier kinderen aanwezig zijn. Welk eene uitbreiding en verstrooiing in den tijd van 1¼ eeuw!
Het nanoemen, of aan kinderen den voornaam geven van stamvaders en moeders, staat in onze provincie in zoo hoog aanzien, dat bijna niemand ,,onbenoemdn bleef. Kwam iemand in den ongehuwden staat te overlijden, dan werd diens voornaam aan een der kinderen van broeder of zuster gegeven. Deze voornamen bleven bijna altijd tot één naam beperkt. 't Was mogelijk, dat iemand uit plichtsgevoel twee van zijne zonen den voornaam Jan moest geven, indien n.l. de beide grootvaders van een kind dien voornaam hadden bezeten. Dan werden de twee Jannen aangeduid als ,,Grootjan", de oudste, en ,,Lutkejan", de jongste. Te Westdorp bestaat nog een geval van twee broeders, die ,,Groote Geert" en ,,Kleine Geert'' heeten. Van bijvoeging aan zoo'n voornaam was men altijd afkeerig. Onze familie heeft drie Froukjes gekend en tal van Hendriken. Een man te Drouwen, met wien wij eens over die naamsopvolging spraken, geloofde niet dat Methusalem 969 jaar oud was geworden. Hij stelde zich b.v. tien Methusalems voor die telkens den naam hadden opgevolgd en waarvan er sommigen boven honderd jaar en andere daar beneden geworden waren, wier leeftijden bij elkander waren opgeteld. Zoo had men dan gemakkelijk een hoogen leeftijd voor dien Methusalem gekregen. Na zoo de familie van moeders zijde in sommige bijzonderheden te hebben ten tooneele gevoerd, meen ik die van vaderszijde niet onvermeld te moeten laten.
Mijn grootvader dan was een geboren Bentheimer, een dergenen waarvan gezegd werd, dat zij van armoede hun geboorteland verlaten hadden om in het door hen niet zoo schraal geachte Drenthe te vinden wat men ,,een goed heenkomen" noemt. Grootvader was omstreeks 1790, met den blauwen zak vol kleeding op den rug, te Buinen aangekomen, om daar als weversknecht ,,op den derden stuiver" werk te vinden. Het loon voor die weversknechten, als er vele uit het graafschap Bentheim kwamen, werd aldus geregeld: Verrichtte hij per dag zooveel werk dat daarvoor 75 cents als werkloon betaald werd, dan bekwam hij daarvan 25 cents en had tevens bij den werkgever, die voor anderen weefde, kost en inwoning. Stellen wij nu dat zoo iemand per dag gemiddeld 60 cents verdiende of per jaar f 187.20, dan zou dit voor hem een jaarloon worden van f 62.40 plus kost en inwoning. Dit jaarloon was wel iets lager dan het jaarloon van een boerenknecht, maar er stond tegenover
dat, wanneer hij later eens zijn eigen baas werd, zijn loon per jaar f 187.20 zou bedragen. En als hij dan eenig koren en aardappelen verbouwde en een kleine veehouderij had, zou hij er in dien tijd van kunnen leven met vrouw en kroost. Van de wevers en kleermakers die hier uit het graafschap Bentheim kwamen, werd gezegd, dat zij in één opzicht zeer sluw waren.
Zij richtten altijd hun blikken op jonge meisjes, wier ouders een eigen huisje met eenig eigen land, en niet veel kinderen hadden. Op schoonheid werd, om een meisje als bruid te kiezen, minder gelet. En nu heeft de natuur het zoo gemaakt, dat er altijd verscheidenheid bestaat. Een meisje is haar eigen maker niet, en wat zij in uiterlijk schoon te kort schiet, kan zij in haren aard en natuur weer vergoeden. En zoo kwamen ook zij, die door anderen gepasseerd werden, nog terecht.
Onze grootvader-wever had hart en hand gewonnen van een meisje te Buinen, wier ouders nog al eenig vermogen hadden. Uit dezen echt ontsproot één kind. Toen werd de man weduwnaar. Het kind erfde het moeders aandeel uit het roerend vermogen, want in het vaste goed deelden, zoolang het Drentsche Landrecht bestond, de dochters niet. Grootvader kreeg dus geld in handen, en de Bentheimer emigranten wisten hier steeds zuinig te leven. Voor hierover verder te gaan, willen wij er op wijzen dat ons uit oude stukken is gebleken, dat grootvaders oorspronkelijke naam was: Herm Thoissens. In Drenthe werd hij spoedig Harm genoemd, en toen hij in 1802 hertrouwde met eene jonge vrouw uit Sleen, werd hij in de lijst, die de predikanten van gesloten huwelijken bij hielden, genoemd Harm Tissing. Mijn vader, die met twee andere broeders uit dit tweede huwelijk in 1830 als schutter in dienst was, stond in zijn zakboekje vermeld als Jan Tissing, en zoo ook de beide andere. De goede man heeft na zijn terugkeer uit Noord Braband veel tegenspoeden gehad. In 1835 gehuwd, was hij twee jaar later reeds weduwnaar zonder kinderen. Daar hij voor zijne in dienst treding als schutter, reeds 20 jaar lang in verschillende landbouwersdiensten was geweest, had hij nu geen trek om weer dienstknecht te worden. Hij bleef tien jaar in zijns vaders huis, want de moeder was vroeger overleden, en zag zich op 46 jarigen leeftijd, door scheiding van goederen, genoodzaakt een tweede huwelijk aan te gaan, wat tengevolge had, dat ondergeteekende in 1853 werd geboren. Bij die geboorte aangifte heeft mijn vader zijn naam als Tiesing geteekend, welke door mij altijd gevolgd werd. Hieruit'ziet men, hoe er vroeger met namen werd omgesprongen.
De familie van vaders zijde is minder talrijk dan die van moeders zijde geworden. Van de zeven kinderen van mijn grootvader zijn drie ongehuwd gebleven, een is, na een echtvereeniging van een tiental jaren, overleden zonder kroost na te laten en twee zusters lieten wel kinderen na. Van de oudste zuster, tweemaal gehuwd, waren 7 kinderen, allen in den landbouwstand gebleven, die, ook in de crisisjaren van hun bedrijf, zich vrij goed daarin hebben kunnen handhaven. Van hen hebben wij spreekwoorden gehoord, zooals: ,,Een mensch moet ligten en zwaren kunnen", d.w.z.: Men moet om elken tegenspoed niet moedeloos het hoofd laten hangen; het komt op andere wijze weer terecht, de schade wordt weer gedekt, en: ,,Een boer moet van de schade zoowel als van het profijt leven", d.i. schade is onafscheidelijk aan het bedrijf verbonden, men kan niet altijd op voordeel rekenen. Bij deze familie bestond eene wel- , varende bijenhouderij, en wij hebben menig reisverhaaltje van tochten met den bijenwagen naar de Groninger kleistreken er van gehoord en als knaap menig brokje honig ontvangen. Deze tante was wat men ,,naamgek'' noemt, en ik was een kind, naar haars vaders voornaam genoemd, doch zij had ook een zoon, die denzelfden voornaam had, welke neef niet den vollen naam haars vaders had, want hij was een Harm Venema. Er zijn vele nakomelingen uit dien familietak.
Eene andere zuster was de vrouw van een kuiper geworden, een man, die uitstekend zijn vak kende, een zeer goed ontwikkeld man, wonende te Eekst, die mijne leerlust bevredigde door mij gedurig oude schoolboeken te verschaffen, want voor 1860 moesten de ouders de schoolboeken voor hunne kinderen van den onderwijzer koopen, die dan, na de leerjaren, bewaard werden. Deze oom had van de nalatenschap van een predikant te Eekst, ds. J. G. Hemmes te Eekst, 1842-1857, een stapel oude boeken gekocht waarvan mij later enkele werden ter hand gesteld. Deze oom en tante lieten 3 kinderen na; er zijn mij nog een tiental nakomelingen van bekend.
De grootvader was in 1810 met vrouw en kroost van Buinen naar Borger vertrokken, waar hij een huis met eenig bouw- en groenland gekocht had, samen voor f 1200. Bij eene scheiding dier goederen in 1854 werden deze perceelen op eene waarde van f 6000 geschat. Hieruit ziet men hoe de waarde der goederen in die 44 jaren was vooruitgegaan, waartoe ook landverbetering veel had bijgedragen.
Daar uit deze korte en eenvoudige familiegeschiedenis veel blijkt, wat voor de kennis der historische toestanden van Drenthe , van belang is, hebben wij gemeend dit verhaaltje aan de lezers van dit jaarboekje te mogen aanbieden. Men kan op deze wijze in enkele regels veel meer zeggen, dan in eene uitvoerige beschouwing waarvoor het vaak moeielijk is eene volledige toelichting te geven, die hier, bij het naar waarheid weergeven van de gebeurtenissen, zoo gemakkelijk is. Van al wat hier vermeld wordt, is nimmer eenige aanteekening gehouden. De schrijver heeft het meermalen van zijne ouders gehoord, en door herhaalde mededeeling, door familiebezoeken in zijne jongelingsjaren en herinneringen aan familieleden ontstond hiervan eene geheugenvorm en vastheid, die hem op zijn ouden dag nog in staat stelt mededeelingen te doen van wat er in een tijdsverloop van 5/4 eeuw in Drentsche familiën ontstaan en verdwenen is. De lezers, die er belang in stellen, mogen er hunne historische kennis van Drentsche toestanden door vermeerderen.
Borger, Juli 1927.
Media Title | Delen van dit verhaal wel eens gehoord van mijn grootmoeder |
Owner of original | Site Owner - Propriétaire du site |
Linked to | Family: Paas/Reinders (F3244) |
» Group Sheet