Sint-Servaasbasiliek, Maastricht, Limburg, Nederland


 


Notes:
De Sint-Servaasbasiliek (Limburgs: Sintervaosbasiliek, of kortweg Sintervaos) is een kerkgebouw in het centrum van de Nederlandse stad Maastricht. Het gebouwencomplex is gelegen tussen drie pleinen: het Vrijthof, het Keizer Karelplein en het Henric van Veldekeplein. De kerk is, naar men aanneemt, gebouwd op het graf van Sint-Servaas en wordt beschouwd als de oudste nog bestaande kerk van Nederland. De grote, driebeukige kruisbasiliek is grotendeels in romaanse stijl gebouwd met gebruikmaking van kolenzandsteen en mergel. Het kerkgebouw fungeert als parochiekerk van de rooms-katholieke Sint-Servaasparochie en is tevens dekenaatskerk van Maastricht. Sinds 1985 voert de kerk de titel basilica minor ("basiliek"). De basiliek is een rijksmonument en behoort tot de 'Top 100 van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg' uit 1990. De kerk, de kloostergangen en de schatkamer zijn dagelijks geopend voor publiek en tegen betaling te bezichtigen.



Geschiedenis



De huidige Sint-Servaasbasiliek is waarschijnlijk de vierde kerk op deze locatie. Door een reeks archeologische opgravingen (met name de opgravingscampagne onder leiding van Titus Panhuysen in de jaren 1980) is de wordingsgeschiedenis van het huidige gebouwencomplex min of meer duidelijk geworden.

Grafkapel (384 - ca. 560)



Volgens de middeleeuwse legende reisde bisschop Aravatius (Servaas) aan het eind van zijn leven vanuit Tongeren naar Maastricht om daar te sterven, en werd hij aldaar, "nabij de grote weg, bij de brug" begraven. Volgens Gregorius van Tours werd er op zijn graf een houten kapel gebouwd, een cella memoriae, die al spoedig een bedevaartsplek werd.



Van 1985 tot 1989 werden bij archeologische opgravingen in de kerk ter hoogte van de Servaascrypte, op een diepte van 180 cm onder de huidige kerkvloer, resten van een min of meer vierkant gebouw van steen aangetroffen met de afmetingen 430 x 390 cm. Het gebouw lag aan de zuidrand van een laat-Romeins grafveld uit de 4e-5e eeuw, op een afstand van 100 m van de Romeinse weg (de Via Belgica). De ingang bevond zich aan de noordzijde. Aan de zuidzijde bevond zich een laat-antiek waterbassin (piscina), waarin twee munten uit de late 4e eeuw werden aangetroffen.noot Bij de opgraving waren op een fundament van vuursteen en rode mortel resten te zien van 50–60 cm dikke muren van kolenzandsteen. Het is mogelijk dat met dit gebouw, hoewel niet van hout, de cella memoriae van Gregorius van Tours gevonden is.

Eerste Merovingische kerk (ca. 560 - 650/75)



Omstreeks 560 werd de grafkapel door bisschop Monulfus van Maastricht vervangen door een stenen kerk met crypte, volgens Gregorius van Tours een magnum templum, een "grote tempel". Volgens sommige historici was de Merovingische kerk de kathedraal van het Bisdom Maastricht, hoewel er ook aanwijzingen zijn dat de Onze-Lieve-Vrouwekerk dat was.



Bij opgravingen in de jaren 1980 is de kerk van Monulfus teruggevonden. Het gebouw bestond uit één beuk en was 15 meter breed. Door de aanleg van de vieringscrypte in de 11e eeuw, is een deel van de fundamenten van deze kerk verwijderd. Als gevolg daarvan is onbekend hoe ver de muren naar het oosten doorliepen. Ook de plattegrond van het priesterkoor is daardoor niet meer te achterhalen. Waarschijnlijk is deze kerk op een zeker moment een vijftal meters in westelijke richting uitgebreid, waardoor de cella memoriae uit de eerste bouwfase binnen de Merovingische kerk kwam te liggen.

Tweede Merovingische kerk (ca. 650/75 - 1000)



De kerk van Monulfus werd al na een eeuw vervangen door een grotere kloosterkerk, als onderdeel van een klooster- of abdijcomplex. Van dit vroegmiddeleeuwse klooster zijn in de pandhof fundamenten aangetroffen. Wellicht werd de bouw van de tweede Merovingische kerk mede ingegeven door de toestroom van pelgrims naar het graf van de heilige, waardoor de kerk te klein werd. Deze driebeukige basilica, waarvan vrijwel de gehele plattegrond gedocumenteerd kon worden, mat 38 x 19 m, bezat een atrium aan de westzijde, aanbouwsels aan de oostelijke uiteinden van de zijbeuken, en een ingangsportaal aan de zuidzijde. Ook van deze kerk blijft de exacte vorm van het koor onbekend door de verstoring van de fundamenten bij de aanleg van de latere crypten. Wel zijn er aanwijzingen voor een eigentijdse crypte. Opgaand muurwerk is nauwelijks gevonden. De datering van de kerk in het derde kwart van de 7e eeuw is gebaseerd op C14-datering van skeletten uit naburige sarcofagen. Op een onbekend tijdstip in de Karolingische periode is de kerk minimaal tien meter naar het westen uitgebreid.



Bij de opgravingen werd tussen het puin een vloerfragment van rode mortel aangetroffen, alsmede een groot aantal stucwerkfragmenten (deels met geometrische en figuratieve muurschilderingen en tekstfragmenten) en honderden glasscherven en stukjes lood van de oorspronkelijke glas-in-loodbeglazing (deels omgesmolten voor hergebruik). Bijzonder zijn de 133 kleurrijke tesserae, vierkante mozaïeksteentjes, overwegend van glas, waarvan ongeveer een derde met een laagje bladgoud was bedekt. Deze laatste werden vaak gebruikt als achtergrond van Bijbelse voorstellingen of voor de aureolen van heiligen. Vlak bij het priesterkoor werd een in drie stukken gebroken kalkstenen plaat met een vrij vlak reliëf gevonden uit de 1e helft van de 8e eeuw. Mogelijk is het afkomstig van een doksaal. Het linkerdeel toont De vlucht naar Egypte; het rechterdeel De kindermoord van Herodes. Bij de opgravingen werd midden in de as van de kerk, ongeveer 10 meter ten westen van het graf van Sint-Servaas, de begraafplaats aangetroffen van de heilige bisschoppen Monulfus en Gondulfus, de stichters van de eerste Merovingische kerk volgens de traditie. De vindplaats kwam overeen met de plek (in medio ecclesiae) die Heriger van Lobbes in de 10e eeuw had beschreven.noot



In het begin van de 8e eeuw wordt het Sint-Servaasklooster in de schriftelijke bronnen genoemd als verbanningsoord van abt Wando van Fontenelle, een van de tegenstanders van Karel Martel in de Frankische Burgeroorlog. Uit het feit dat Wando door de Karolinger Karel Martel enkele tientallen jaren naar Maastricht werd verbannen, kan worden afgeleid dat de Karolingen toen zekere rechten over kerk en klooster van Sint-Servaas hadden. Dit was zeker het geval in de 9e eeuw, toen Alcuinus en Einhard, beiden vooraanstaande hovelingen aan het Akense koningshof, in Maastricht lekenabt waren.

Bouw romaanse kerk (ca. 1000 - 1200)

De bouw van de huidige romaanse kerk vond in drie fases plaats. In de tweede helft van de 10e eeuw werd de bestaande kerk tot op de fundamenten gesloopt en werd het terrein opgehoogd en geëgaliseerd, waarna de bouw van de nieuwe kerk begon. Van deze kerk staan nog grote delen overeind, o.a. het middenschip met de oorspronkelijke pijlers. De deels onder het bewind van proost Geldulfus tot stand gekomen eerste fase had reeds een imposant westwerk en werd verder gekenmerkt door een transept met polygonale uiteinden en omgangen. Het huidige grondplan van het oostkoor, de oostcrypte, de kleine crypte en de twee in 1969 ontdekte steunberen aan de oostkant van de apsis behoren tot de vroegste bouwfase van de romaanse kerk. In 1039 werd deze kerk in aanwezigheid van keizer Hendrik III door 12 bisschoppen ingewijd.



Tijdens de tweede bouwfase in de tweede helft van de 11e eeuw werden onder proost Humbertus belangrijke wijzigingen aangebracht. Volgens de uitvoerige tekst op zijn grafkruis bouwde Humbertus verder aan het westwerk, verving hij het polygonale transept door een rechthoekig dwarsschip met twee annexkapellen (de huidige schatkamer en de afgebroken Maternuskapel), vernieuwde hij de viering met de vieringscrypte eronder, en verbouwde hij de oostpartij (in de 12e eeuw sterk gewijzigd) en de kloostergebouwen (in de 15e eeuw vervangen door de huidige, gotische kruisgang).



De derde bouwfase vond plaats in de 12e eeuw onder de ambitieuze proosten Arnold van Wied en Gerard van Are.noot Tijdens deze fase kreeg de oostpartij een ander aanzien door een nieuwe apsis met dwerggalerij en flankerende koortorens, naar het voorbeeld van de domkerken van Speyer en Mainz. Het westwerk werd in deze periode voltooid met een westkoor, een atrium met omringende galerijen, een zogenaamde keizersloge, een proostenkapel en op de hoogste verdieping de Keizerzaal. De kunsthistoricus Aart Mekking maakte een uitgebreide studie over de manier waarop de architectuur en de inrichting van de 12e-eeuwse kerk het streven van de proosten weerspiegelde om de eigenkerk, die een rijksonmiddellijke status binnen het Heilige Roomse Rijk had, een 'keizerlijke uitstraling' te geven. Een middel daartoe, naast de architectuur van het westwerk en het oostkoor, was de plaatsing in één lijn (in medio ecclesiae) van achtereenvolgens het Westwerkaltaar, de cenotaaf van Monulfus en Gondulfus, het Sint-Servaasaltaar boven het graf van de heilige en het hoogaltaar met de Noodkist van Sint-Servaas en vier vergulde reliekhouders van Maastrichtse bisschoppen. De monumentale route door de kerk die op die manier ontstond, moet op bezoekers indruk hebben gemaakt en was volgens Mekking "een van de meest indrukwekkende architectonische en liturgische disposities die de architectuur in het Heilige Romeinse Rijk in de Middeleeuwen heeft voortgebracht".

Gotische en barokke wijzigingen (ca. 1200 - 1797)

Na voltooiing van het romaanse bouwwerk werd de kerk nog verschillende keren verbouwd en aan de smaak van de tijd aangepast. Eind 12e, begin 13e eeuw verrees aan de zuidzijde het Bergportaal, waarschijnlijk de allereerste uiting van de gotiek in de Nederlanden. In de late 13e eeuw werd een groot gebeeldhouwd doksaal opgericht, waarmee het priesterkoor van het schip werd afgescheiden. Het beeldhouwwerk met afbeeldingen uit de Servaaslegende vormde de passende achtergrond voor het Servaasaltaar.



In de 14e en 15e eeuw werden de zijbeuken uitgebreid met zijkapellen in Maasgotische stijl. In het transept vervingen grote spitsboogvensters de romaanse ramen. Andere wijzigingen, zoals de toevoeging van steunberen en luchtbogen, hielden verband met de overwelving van het schip, de zijbeuken en het transept (ca. 1450). Als bouwmeester van het gotische gewelf wordt kanunnik Dierick Volquin genoemd, voor wie in de doopkapel een herinneringsplaquette is aangebracht. Kort daarop begon onder proost Antonius Hanneron de bouw van de laatgotische kloostergang en de Koningskapel, waarvoor de Franse koning Lodewijk XI in 1463 een grote som geld beschikbaar stelde. Tijdens deze bouwcampagne was Cornelis de Wael bouwmeester; hij wordt althans in 1473 als zodanig genoemd. In 1556 werd een hoge, spitse middentoren op het westwerk geplaatst, waarin een carillon werd opgehangen.



In de late 16e of vroege 17e eeuw kreeg de Vrijthofzijde van de kerk een barok tintje door de barokke krulgevels van de beide 11e-eeuwse transeptkapellen (Sint-Maternus- en Dubbelkapel). Ook het Bergportaal kreeg in die tijd een barokfaçade. In 1770 kreeg ook het westwerk een barok aanzien door de nieuwe torenbekroning ontworpen door de Luikse architect Etienne Fayen. Het interieur van de kerk werd in 1632 gewit en de cenotaaf van Monulfus en Gondulfus werd onder de kerkvloer begraven. Een eeuw later onderging het interieur opnieuw grote wijzigingen toen het gotisch doksaal werd gesloopt en het priesterkoor in barokke stijl werd aangekleed met beeldhouwwerk van Denis-Georges Bayar.

Secularisatie en herstel (na 1797)

Na de komst van de Fransen in 1794 kreeg het kapittel van Sint-Servaas zware oorlogsschattingen opgelegd, waardoor een groot deel van de kerkschat moest worden verkocht of omgesmolten. In 1796 kregen de kanunniken van Sint-Servaas van de Franse machthebbers opdracht om zowel de rijksadelaar op het westwerk, als de hardstenen paaltjes die het immuniteitsgebied van het kapittel markeerden, te verwijderen. De tweekoppige adelaar (teken van de vrije rijkskerk) en de paaltjes met de Servaassleutel (symbool van de onafhankelijkheid van het kapittel) waren de Fransen een doorn in het oog. Op 30 maart van dat jaar werd de rijksadelaar op het Vrijheidsplein (het Vrijthof) officieel ten grave gedragen. Op de plek van de adelaar verscheen een ijzeren tricolore met daarboven een vrijheidsmuts. Korte tijd daarna werd deze op zijn beurt vervangen door de keizerlijke adelaar van Napoleon Bonaparte.



In december 1797 werden het kapittel en de proosdij van Sint-Servaas opgeheven en werden haar gebouwen verkocht. Het grootste deel van de kerkinventaris werd verkocht of vernield. De kerk zelf werd een tijdlang als paardenstal gebruikt. In 1804 kreeg de kerk opnieuw een religieuze bestemming, nu als parochiekerk. Begin 19e eeuw werden zowel de 11e-eeuwse Sint-Maternuskapel, die met de dubbelkapel een symmetrisch ensemble vormde, als de 15e-eeuwse Koningskapel wegens bouwvalligheid gesloopt (van de laatste resteert een deel van de noordelijke muur). Het interieur onderging in de eerste decennia van de 19e eeuw een metamorfose. Zo werd het priesterkoor verlaagd door de sloop van de middeleeuwse vieringscrypte. Wat nog resteerde van de middeleeuwse koorschilderingen verdween onder een gestucte neoclassicistische pilastergevel en een cassetteplafond. De architect en meubelontwerper Mathias Soiron ontwierp onder andere een nieuwe preekstoel.noot Ander meubilair werd overgenomen van opgeheven kloosterkerken.

Restauraties 19e-20e eeuw



In de periode 1870-1890 werd de Sint-Servaas ingrijpend gerestaureerd door de bekende architect Pierre Cuypers. Cuypers herbouwde de enkele tientallen jaren eerder gesloopte vieringscrypte en liet de kerk beschilderen volgens een polychroom neoromaans decoratieschema. De schatkamer werd ondergebracht in de voormalige refter en kapittelschool in de westelijk kloostergang. De beelden en reliëfs in het Bergportaal werden hersteld en het noordwestportaal aan het Keizer Karelplein werd door Cuypers van nieuw beeldhouwwerk voorzien. Een deel van de romaanse kapitelen aan de buitenzijde van de apsis en de koortorens werden vervangen. De vernieuwing van de puntgevel boven het oostkoor is door het abusievelijk gebruik van rode zandsteen nog steeds zeer zichtbaar. Ook het westwerk werd vernieuwd, waarbij de barokke noordelijke en zuidelijke torenspitsen werden vervangen door neoromaanse exemplaren. De middentoren van Fayen verdween eveneens en op die plaats verrees een hoge, ranke toren in neogotische stijl. Deze laatste ging in 1955 door brand verloren, waarbij een deel van de torenspits door het dak van het middenschip stortte.



In 1981 ging opnieuw een ingrijpende restauratie van het kerkgebouw van start, onder leiding van T. van Hoogvest en P. Satijn. In de eerste fase werden het exterieur, de kloostergang en de schatkamer aangepakt, zodat de kerk open kon blijven. Tijdens de restauratie kwamen ernstige gebreken aan het licht. Eén steunbeer bleek door een bouwfout geen fundament te hebben, waardoor een grote scheur in een muur van het zuidelijke transept was ontstaan. Bij de restauratie werd het restant van de afgebrande middentoren van Cuypers verwijderd. De ingangsportalen aan de Vrijthofzijde werden hersteld. Na een bezoek van paus Johannes Paulus II in 1985, waarbij de kerk tot basilica minor werd verheven, verhuisde de parochie tijdelijk naar de Kruisherenkerk en begon de restauratie van het interieur. Er werd vloerverwarming aangelegd en een deel van de meubilering van de kerk werd vervangen. De neogotische muurschilderingen van Cuypers werden, op enkele zijkapellen na, verwijderd en ervoor in de plaats kwam een beschildering in laatmiddeleeuwse stijl, gebaseerd op restanten van 15e-eeuwse gewelfschilderingen. De verwijdering van een groot deel van de Cuypers-decoraties en de reconstructie van de laatmiddeleeuwse situatie was controversieel en leidde tot veel discussie.noot



De restauratie werd in 1993 afgerond. De werkzaamheden waren dusdanig ingrijpend geweest, dat het nodig werd geacht de kerk opnieuw in te wijden. Bij de consecratieplechtigheid in 1993 waren 12 bisschoppen aanwezig, hetzelfde aantal als in 1039. In openingen van de pijlers werden kruisjes met Heilig Oliesel aangebracht.

Functieverandering: eigenkerk, kapittelkerk, pelgrimskerk en parochiekerk

Eeuwenlang kon de Sint-Servaaskerk als een van de weinige kerken in de Nederlanden beschouwd worden als een koninklijke eigenkerk. Tijdens de Karolingische periode bestonden er al nauwe betrekkingen tussen deze kerk en de Frankische koningen. Begin 9e eeuw waren de Akense hovelingen Alcuin en Einhard er lekenabt. Of Karel de Grote de kerk heeft bezocht, is niet zeker maar wel aannemelijk. Na een kort intermezzo, waarin de kerk bezit was van het domkapittel van Trier, werd de band met de Duitse vorsten hersteld. Met name in de 11e en 12e eeuw was de band zeer eng. Koning Hendrik III, die de Sint-Servaaskerk een warm hart toedroeg, liet zich er, jaren na zijn officiële kroning in de Dom van Aken, op 15 augustus 1039 feestelijk herkronen (Festkrönung). Verschillende Maastrichtse proosten waren in die tijd tevens kanselier van het Heilige Roomse Rijk, een traditie die wellicht in 1087 door Hendriks zoon en opvolger Hendrik IV werd ingesteld. In 1204 werd het benoemingsrecht van de proosten door koning Otto IV overgedragen aan de hertog van Brabant. In 1214 vond in deze kerk het huwelijk plaats van Maria van Brabant en Otto IV, een gebeurtenis die de band tussen de Brabantse hertogen en de Rooms-Duitse koningen bezegelde. Vanaf dat moment nam de belangstelling van de Duitse koningen voor de Maastrichtse kerk af. Weliswaar bleef men zich "vrije rijkskerk" en "rijksonmiddellijk kapittel" noemen, maar in feite waren dat na 1204 loze titels.



Aan de kerk was vanaf de vroege 8e eeuw (wellicht al eerder) een klooster verbonden. Waarschijnlijk is het klooster in de 9e eeuw omgezet in een seculier kapittel. Vanaf de 12e eeuw gaan de monniken, dan kanunniken genoemd, zelfstandig wonen. Het kapittel is dan al een machtige instelling, met aan het hoofd een proost (voor de zakelijke bewindvoering) en een deken (voor het geestelijk welzijn van de kanunniken). Aan het kapittel waren een 40-tal prebenden verbonden. Het Sint-Servaaskapittel was zeer rijk door inkomsten uit bezittingen, tiendrechten en andere feodale rechten in een groot gebied rondom Maastricht. Het proosdijgebouw, vanwaaruit al deze bezittingen werden geadministreerd, bevindt zich nog steeds ten westen van de kerk. In de nabijheid van de proosdij lagen tevens graanschuren, wijnkelders, een brouwerij, paardenstallen en gastenverblijven. De rijkdom van het kapittel kwam tot uitdrukking in het weelderige leefpatroon van de kanunniken, de bouw van luxueuze kanunnikenhuizen rondom de kerk en buitenhuizen in omliggende dorpen, de lange reeks verbouwingen aan kerk en proosdij, en de vele kostbaarheden in de schatkamer

Vóór 1218 stichtten de kanunniken naast hun eigen kerk een aparte parochiekerk, de Sint-Janskerk. Vanaf dat moment deed de Servaaskerk nog slechts dienst als kapittel- en pelgrimskerk. De bedevaartsfunctie kreeg een sterke impuls door de instelling van de heiligdomsvaart, voor het eerst genoemd in 1391, maar zeker ouder. Vooral in de 15e eeuw was Maastricht daardoor een topbestemming voor pelgrims (die daarvoor of daarna Aken en Kornelimünster aandeden). De gasthuizen van Sint-Jacob en Sint-Servaas, die beide aan het kapittel toebehoorden, vingen de pelgrims op. Door de Reformatie, de Tachtigjarige Oorlog en epidemieën nam de stroom pelgrims in de 16e eeuw sterk af. Na de verovering van Maastricht door Frederik Hendrik (Beleg van Maastricht, 1632) kon het kapittel blijven voortbestaan. De Sint-Janskerk moest echter worden overgedragen aan de protestanten, waarna de Sint-Jansparochie kerkte in de kapel van het Sint-Jacobsgasthuis.



Na de opheffing van kapittel en proosdij in de Franse tijd kregen de gebouwen een profane bestemming. In 1804 kreeg de kerk haar religieuze bestemming terug, nu als parochiekerk. Een bekende priester, die in de 19e eeuw verbonden was aan de Sint-Servaaskerk was Louis Hubert Rutten (1809-1891), stichter van de Broeders van de Onbevlekte Ontvangenis van Maria. Gedurende de 19e en 20e eeuw werd de kerk aangeduid als 'hoofdparochiale kerk', waarmee werd aangegeven dat het de belangrijkste parochiekerk van Maastricht was. De Sint-Servaaskerk is tevens dekenaatskerk van het dekenaat Maastricht. In 2000 is de parochie een personele unie aangegaan met de Sint-Anna/Sint-Lambertusparochie. Pastoor en deken is sinds november 2016 J. Dautzenberg; kapelaan is H. Garcia Leon; koster is P. Wolters. De pastorie en het parochiebureau bevinden zich aan het Keizer Karelplein. Dagelijks worden er in de Sint-Servaaskerk missen opgedragen, doordeweeks in de Sint-Servaaskapel, op zondag in de basiliek zelf. Aan de kerk is een gregoriaans mannenkoor verbonden, de Schola Gregoriana, en een gemengd koor, de Cappella Sancti Servatii.

Beschrijving exterieur

Oostpartij



De bouw van de oostpartij begon waarschijnlijk al omstreeks het jaar 1000 en werd in de 11e eeuw voortgezet onder de proosten Geldulfus en Humbertus. Zijn huidige aanzien kreeg het koor in de 12e eeuw tijdens het bewind van proost Arnold van Wied. De lagere delen van de apsis, het transept en de noordoostelijke dubbelkapel (de huidige schatkamer) zijn nog uit de tijd van Humbertus. De kenmerkende apsis met dwerggalerij en flankerende koortorens kwam waarschijnlijk in het tijdvak 1140-1150 tot stand. De twee lagere gevelzones van de apsis zijn geleed met rondbogige spaarvelden, de bovenste zone bestaat uit een open arcade gedragen door zuiltjes, de dwerggalerij. De Sint-Servaasapsis vertoont grote overeenkomsten met die van de Dom van Speyer en de Dom van Mainz, waarvan het een navolging is, en die van het Munster van Bonn, de Abdijkerk van Maria Laach, de Sint-Gereonkerk in Keulen en de Sint-Kastorkerk in Koblenz, die op hun beurt naar het Maastrichtse voorbeeld werden gemodelleerd. De apsis en koortorens zijn bij de Cuypers-restauratie ingrijpend gerestaureerd, waarbij ook de puntgevel boven de apsis in rode zandsteen werd herbouwd. De Vrijthofportalen aan weerszijden van het koor zijn bij de restauratie in de jaren 1980 hersteld en voorzien van bronzen deuren. De noordoostelijke portaaldeur (de 'Pausdeur') is van Appie Drielsma; de zuidoostelijke van Piet Killaars.



De romaanse bouwsculptuur van de oostpartij is kunsthistorisch van belang, ook al zijn een aantal kapitelen bij de Cuypers-restauratie rond 1870 vervangen door nieuwe. De kapiteeltjes van de dwerggalerij zijn onbewerkt, maar alle andere kapitelen, zowel van de apsis als van de koortorens, zijn gebeeldhouwd en laten voorstellingen zien van onder andere vogels die in planten verstrikt zijn, vogels die met hun vleugels in elkaar verstrikt zijn, draken met in elkaar verstrikte staarten, draken met vogelkoppen die naar elkaar pikken, draken met vogelkoppen die naar leeuwen pikken, twee centauren omgeven door gebladerte, een mensachtig wezen verstrikt in planten, een mensachtig wezen dat door een leeuw in de borst gebeten wordt, een mensachtig wezen dat twee monsters wurgt en twee mensachtige wezens die elkaar omhelzen. Verder zijn er kapitelen met alleen palmetten en lancetvormige bladeren. De betekenis van de afgebeelde voorstellingen, in veel gevallen ontleend aan middeleeuwse bestiaria, is niet in alle gevallen duidelijk. Vaak gaat het om de strijd tussen goed en kwaad, waarbij dieren, fabeldieren en planten de kwaadaardige kant van de natuur voorstellen.

Westwerk

De kern van het monumentale westwerk van de Sint-Servaaskerk kwam waarschijnlijk al tot stand tijdens de eerste bouwfase van de romaanse kerk, maar onderging in de 12e eeuw een ingrijpende vernieuwing. De zware onderbouw van kolenzandsteen heeft een rechthoekige plattegrond met een iets vooruitspringend middendeel. De drie horizontale gevelzones nemen naar boven toe in hoogte af en zijn voorzien van spaarvelden met rondbogen. In de bovenste zone bevinden zich rondboogvensters met deelzuiltjes. In de loop van de 13e eeuw werden waarschijnlijk de schoormuren of steunbogen toegevoegd, die over de straat Sint Servaasklooster reiken. Uit dezelfde tijd dateren de noordelijke en zuidelijke westbouwtorens (met 19e-eeuwse leien daken). Tussen deze twee torens hebben in de loop der eeuwen diverse middentorens gestaan. Na een brand in 1955, waarbij de neogotische toren werd vernield, werd bij de laatste restauratie besloten geen nieuwe middentoren te bouwen. In de noordtoren hangt een carillon, in de zuidtoren enkele luidklokken (o.a. Grameer, zie hieronder).



Zuidzijde en Bergportaal

Vanaf het Henric van Veldekeplein geeft de Sint-Servaasbasiliek een hybride aanblik: enerzijds het zware, romaanse westwerk, anderzijds de lichtere, gotische vormen van de zuidelijke zijbeuk, de zijkapellen, de luchtbogen van het gotische gewelf en het Bergportaal.

Het Bergportaal uit de late 12e, vroege 13e eeuw geldt als een der vroegste uitingen van de Gotiek in de Nederlanden. Een deel van het portaal dateert van omstreeks 1175, met name het beeldhouwwerk van de latei, het timpaan en de twee binnenste archivolten boven de doorgang naar de kerk. Op het boogveld zijn scènes uit het leven van Maria afgebeeld: linksonder het sterfbed, rechtsonder de opwekking van Maria en in het bovenste segment de triomf van Maria. De beelden in de archivolten stellen aartsvaders, profeten, heiligen en koningen voor. De zijwanden van de vestibule zijn voorzien van romaans aandoende nissen waarin beelden zijn geplaatst. Bijzonder zijn de in het portaal toegepaste zuiltjes van kalksinter, een marmerachtige steen die gevormd wordt door kalkafzetting in Romeinse aquaducten in de Eifel. Bij de restauratie van het portaal in 1883-87 is het beeldhouwwerk van een neogotische polychromie voorzien en heeft men een marmeren mozaïekvloer gelegd met een labyrint.

Op de zuidoosthoek, in de nauwe straat tussen de Sint-Janskerk en de Sint-Servaas stond ooit de Maternuskapel. Tegenwoordig heet deze straat Het Vagevuur. Het grote raam in het zuidertransept heeft een gebeeldhouwde middenstijl met de Boom van Jesse, een geschenk van Victor de Stuers uit ca. 1900. Tegen de zuidelijke transeptmuur is in 2016 een chatsjkar onthuld, een geschenk van de Armeense gemeenschap in Maastricht, om de banden met Sint-Servaas, die van Armeense oorsprong zou zijn, te benadrukken. Op de zuidwesthoek van het kerkencomplex stond tot begin 20e eeuw 't Spijker, een grote graanschuur van het kapittel. Tegenwoordig staan hier de bronzen beelden van Monulfus en Gondulfus van Jef Courtens.



Noordzijde en Noordportaal



Aan het Keizer Karelplein bevindt zich het Noordportaal, tegenwoordig de hoofdingang van de kerk en schatkamer. Het portaal kwam omstreeks 1475 tot stand, als sluitstuk van de gotische kruisgang. In de loop der eeuwen verloor het portaal vrijwel alle beelden en decoraties. Het huidige portaal is gotisch, maar alle beelden zijn neogotisch. In het spitsboogsegment staat Christus te midden van Sint-Petrus en Sint-Servaas. In de archivolten daaromheen zijn de twaalf apostelen afgebeeld. Naast de toegangspoort staan vier profeten opgesteld. Opvallend zijn de zeer hoge pinakels.



Naast het portaal bevindt zich links de pastorie en rechts de kosterswoning. De pastorie maakt onderdeel uit van de Sint-Maternushof, waar zich in het verlengde van de noordelijke kloostergang diverse parochiële en dekenale ruimten bevinden. De mergelstenen kosterswoning is door Cuypers toegevoegd in 1894-95, toen ook de kloosterwand langs het Sint Servaasklooster werd vernieuwd. Het pand werd in 1990 ingrijpend verbouwd, waarbij de ingang verplaatst werd naar de westzijde. Op het plein voor het Noordportaal bevindt zich de Servaasfontein met een bronzen beeld van de heilige van de hand van Charles Vos.



Kruisgang en pandhoftuin



De gotische kruisgang bestaat uit drie overwelfde gangen uit de late 15e eeuw met in het midden een kloostertuin (pandhof). De zuidelijke vleugel is geen onderdeel van de kruisgang; hier bevinden zich de noordelijke zijkapellen van de kerk. De kloostergangen worden gescheiden van de kloostertuin door gotische spitsboogramen met gedetailleerde traceringen, waarin onder andere de Franse lelie en het Bourgondisch kruis zijn te herkennen.noot De pandhoftuin is als een traditionele kloostertuin aangelegd met vier perken en een rond middenpleintje. Op het middenpleintje staat een fontein, die ooit deel uitmaakte van de Sint-Servaasbron op het Vrijthof. Een deel van de tuin is bestraat. Hier kunnen stoelen worden geplaatst voor beiaardconcerten. In de noordoosthoek van de kloostertuin staat de oude klok Grameer.



Aan de westelijk kloostergang (de lange gaank) bevindt zich de vroegere refter en kapittelschool, later schatkamer, thans Sint-Servaaskapel en sacristie. De kapel doet dienst als dagkapel voor doordeweekse missen. In de kapel bevindt zich een kostbaar, laatgotisch altaarretabel, het Maastrichts passieretabel. In de noordelijke gang bevindt zich de kassa en het bezoekerscentrum. De ingang van de schatkamer ligt in de oostgang. Hier bevindt zich een van de twee romaanse toegangsportalen tussen kruisgang en kerk.noot Ze zijn allebei sterk verweerd, het noordwestelijke meer dan het noordoostelijke. Ondanks de zeer sterke verwering zijn leeuwtjes en een Atlas-figuur te herkennen. Boven het noordoostelijke portaal bevindt zich een timpaan met een voorstelling van de Majestas Domini in een mandorla, omgeven door de vier evangelistensymbolen

Beschrijving interieur

Crypten

De Sint-Servaaskerk telt vier crypten. Onder het oostelijk deel van het schip bevindt zich de Servaascrypte, ook wel confessio genoemd, met het vermeende graf van Sint-Servaas.noot Ten oosten hiervan ligt de kleine crypte met het graf van hertog Karel van Neder-Lotharingen (en volgens sommigen ook van zijn zoon, Otto II van Neder-Lotharingen). De kleine crypte is waarschijnlijk een restant van een oudere verbindingsgang tussen de Servaascrypte en de oostcrypte. De oostcrypte is tegenwoordig ingericht als lapidarium met onder andere enkele vroegchristelijke grafstenen, de cenotaaf van Monulfus en Gondulfus en brokstukken van het gotisch doksaal. De drie genoemde crypten dateren alle uit de late 10e of vroege 11e eeuw, de eerste bouwfase van de romaanse kerk. Tussen de oostcrypte en de kleine crypte werd in de late 11e eeuw of in de 12e eeuw de vieringscrypte aangelegd. Deze werd in 1811 gesloopt, maar door Cuypers in 1881-82 weer opgebouwd.

Location : Latitude: 50.84854849125744, Longitude: 5.687501693338319


Burial

Matches 1 to 1 of 1

   Last Name, Given Name(s)    Burial    Person ID   Tree 
1 de Basse-Lotharingie, Hertog Charles  1001I31433 savenije 

Calendar

Ik vind deze site geweldig en wil graag financieel helpen het in stand te houden

I like this service very much and I want to donate money    

 


This site powered by The Next Generation of Genealogy Sitebuilding ©, written by Darrin Lythgoe 2001-2025.