Genealogie

1. Johannes Sigefridus Cuperus (Fabricius), geboren ca 1570 te Dillenburg, predikant, overleden na 1634 in de Palts (D), gehuwd voor 1603 met NN [ab Ewick?], overleden na 1634 in de Palts (D). Johannes Sigefridus Cuperus is geboren te Dillenburg.” Hij zou in 1598 als predikant te Jarssum (G-Fr) begonnen zijn, maar een bron uit 1726 geeft aan, dat hij als balling te Jarssum woonde.?)
Dat zal dan vermoedelijk ergens tussen 1603 en 1607 zijn geweest, omdat zijn zoon Bemhardus naar alle waarschijnlijkheid nog te Dillenburg werd geboren. In 1607 werd hij predikant te Grijpskerk. Aldaar werd hij op 11 september 1609 in de classicale vergadering afgezet wegens laster. De synode bevestigde dit vonnis, waarna Gedeputeerde Staten hem op 11 september 1610 vier maanden de tijd gaven zichzelf van alle blaam te zuiveren. Aangezien dat niet gebeurde, werd hem op eigen verzoek in 1611 een goed getuigschrift gegeven: “Up Johannis Cuperi predigers billichs versoeck ordinet synodus, dat Suethormiana classis, darunder he gestanden, umb genochsame reden hem ein purum testimonium wol mithdelen mach”.” Op aanbeveling van de stadhouder prins Maurits hield hij een leerrede voor Drost en Gedeputeerden en daarna tevens voor de gemeente van
Gasselte, waar hij op 6 mei 1611 werd beroepen. Hij was de eerste predikant met alleen Gasselte als standplaats, aangezien zijn beide voorgangers (Jodocus Vossius 1598-1602) en Wilhelmus Marcii (1602-1611) tevens predikant van Gieten waren.“’ Marcii bleef echter nog steeds predikant te Gieten. In 1610 besloot de synode in verband met moeilijkheden met Marcii Gasselte van Gieten af te splitsen.” Op de classicale vergadering van september 1611 werd Cuperus toegelaten als predikant in Drenthe. Op de synode van 161.5 werd hij tot voorzitter gekozen.” Vanaf 16 18 ging het langzaam maar zeker bergafwaarts met Cuperus. In dat jaar deden zich onduidelijke geruchten over hem de ronde, die verder uit de stukken niet duidelijk worden. Mogelijk betreft het zaken die later zijn definitieve vertrek zouden inluiden (zie hieronder). De synode besloot de zaak te laten rusten, omdat er geen enkel gerucht bewezen kon worden. Wel werd hij in datzelfde jaar voor Drenthe afgevaardigde bij de Nationale Synode van Dordrecht als revisor van het Nieuwe Testament. Zijn collega Onias Boëthius uit Coevorden werd aangesteld als revisor voor het Oude Testament. Beiden werden echter al na één dag vervangen wegens hun gebrekkige kennis van de Nederlandse taal.“’
In 1619 klaagde Cuperus op de synode over het feit, dat hij naast predikant tevens het kostersambt moest bedienen. Drie jaar later in 1622 verscheen hij op een synodevergadering met een gewonde rechterhand, omdat zijn collega uit Anloo - Henricus ab Holle - hem op zondag 26 juni 1622 met een sabel had verwond, nog wel in Cuperus’ eigen huis. Ab Holle was daarbij dronken geweest en had op alles en iedereen gescholden. De vergadering besliste, dat Ab Holle voorlopig werd geschorst, terwijl Cuperus binnen een termijn van tien dagen verslag zou moeten uitbrengen. Op 10 augustus 1622 werd door de Drost, gedeputeerden en enkele gecommiteerde predikanten vergaderd. Cuperus had geen verslag uitgebracht ondanks herhaald aandringen, omdat hij maar liever de zaak liet rusten. Ab Holle zou namelijk iets over vroegere wandaden van Cuperus weten. Ab Holle werd verzocht de synode te melden, wat hij wist over Cuperus’ verleden. Aanvankelijk weigerde hij, maar later werd hij gedwongen om op de vragen van de synode in te gaan. Uit de antwoorden
bleek, dat Ab Holle verhalen vertelde over een eventuele brief die Cuperus aan een lichtzinnige vrouw zou hebben geschreven. Uiteraard ontkende Cuperus dit. Bovendien gaf Cuperus een verslag van het gebeurde in de pastorie. De volgende dag moest Ab Holle eveneens verslag doen.
De synode besloot, dat beide predikanten mochten aanblijven, maar dat ze wel een boete kregen: Ab Holle drie pond en Cuperus 1 pond. Tevens moesten beide predikanten in hun gemeente om vergeving bidden.“De problemen stapelden zich echter op voor Cuperus. Een jaar na het sabelincident moest Cuperus zich verantwoorden voor het feit, dat hij zijn zoon Bernhardus (toen nog student) in de kerk van Gasselte had laten preken zonder toestemming van de synode. In 1624 begonnen ook de gemeenteleden van Gasselte over hun predikant te klagen. Hij zou namelijk een huwelijk tussen een zwerfster en de koeherder van Eext wel hebben willen voltrekken, maar op getuigenis van de herbergier Johan van Dalen bleek, dat dat slechts leugens waren?
In 1630 maakte hij plaats voor zijn zoon Berhardus Fabricius en vertrok zelf naar Zuidlaren. In Drents Genealogisch Jaarboek 124 1631 gingen er wederom allerlei geruchten over zijn verleden. Weer moest hij zich verantwoorden, waarbij hij ditmaal erkende, dat hij in het verleden eens wegens overspel ter dood was veroordeeld. Indertijd was dat vonnis niet ten uitvoer gebracht, maar hij was toen gegeseld. Hierop werd hij door de synode op 8 december 1631 afgezet, waarna hij kort na augustus 1634 met zijn vrouw is vertrok naar de Palts.“’ Aldaar zal hij zijn overleden.
Uit dit huwelijk:
1. Bernhardus Fabricius (Cuperus), gedoopt op 3 l- lO- 1603 te Dillenburg (?) (zie 11).
2. Johannes Lodewijk Fabricius, geboren ca 1605 2), predikant te Noordwolde (Cr) 1653-1674, overleden op 19-9-1674 aldaar.
3. Johannes Siggefridus Fabricius, geboren ca. 1607, predikant Geerdesweer (0-Fr) 1643-1647, overleden 1647 te Geerdesweer (0-Fr). Hij is kort na 25 april 1647 te Geerdesweer overleden, en niet in 1674, zoals verschillende bronnen opgeven.“’ Wellicht is dit het gevolg van het feit, dat de gemeente van Geerdesweer tussen 1647 en 1674 geen predikant had. Overigens geven deze bronnen aan, dat hij in Wiebelsum zou hebben gestaan. In 1726 schreef E.F. Harkenrodt over hem: “Johannes Siggefridus [dus zonder familienaam, CdG] is gelooflijk de zoon van Johannes Siggefridus Cuperus, die zich als balling hier te lande te Jarsum zal hebben opgehouden en die 1607, als predikant te Grijpskerk in Groningerlant te boek staat. Deeze onze Geerdsweerder Siggefrides quant 1643 hier in dienst en is 1647 (na den 25 april) overleden, aangezien zijn hand op die datum in een der armboeken gezien wordt.“l”’
11. Bernhardus Fabricius (Cuperus), predikant, gedoopt op 3 l- lO- 1603 te Dillenburg (?) (getuigen:
Johannes ab Ewick, Berhardus ab Ewick), overleden op 21-3-1670 te Gasselte, gehuwd op 29-10- 1630 te (Assen of Gasselte?) met Haesje Helinge, geboren ca 1605 te Assen, overleden op 6-11-1683 te Gasselte, dochter van Johan Helinge, deurwaarder te Assen 1602-1629 en Hillichjen.
Bernhardus Fabricius werd in september 1603 geboren en op 3 1 oktober van dat jaar gedoopt. Door beschadiging van het document is niet te lezen, waar dat gebeurde, maar vermoedelijk is dat Dillenburg.
Zijn geboorte vond plaats in in een huis genaamd: “In den draacken”, dat in de buurt van een huis “de gouden wage” moet hebben gestaan. Getuigen bij de doop waren Johannes en Berhardus ab Ewick, “fratres germani”. Wie deze lieden waren, is niet duidelijk. Mogelijk gaat het hier om twee broeders van de Duitse Orde. Zij lijken gezien de naam ook werkelijk broers te zijn geweest. Waarschijnlijk waren zij ooms van de dopeling, en dan derhalve van moederszijde. Mogelijk is hij zelfs naar een van de getuigen vernoemd.“’ Bij zijn inschrijvingen in de matrikelen van de universiteiten van Groningen en Franeker wordt als zijn herkomstplaats Dillenburg opgegeven.
Op 6 april 1622 vond inschrijving als student filosofie en theologie aan de universiteit van Groningen plaats. Een jaar later preekte hij al in de kerk van Gasselte. Aangezien dit zonder toestemming van de classis was gebeurd, werd zijn vader hierop ernstig toegesproken. In 1626 werd hij als student aan de universiteit van Franeker ingeschreven: Bernhardus Fabritius, Dilleburgo Nassovius.
In 1627 kwam bij de synode een verzoek binnen van Agnete, de weduwe van Hendrick Boekholt, de voormalige predikant van Kropswolde. Agnete had Bernhardus geld geleend en wilde dat terug hebben. Bemhardus wilde niet betalen, omdat hij dat geld van haar gekregen zou hebben, omdat zij elkaar trouwbeloften hadden gegeven. Zij ontkende dit feit niet, maar wilde op die beloften terugkomen. Bernhardus wilde zijn trouwbeloften echter wel nakomen, maar eiste dan wel, dat zij verder aan niemand anders verbonden zou zijn. Weliswaar beloofde zij dit, maar toch wilde ze niet meer met hem trouwen. Op last van de synode moest Bernhardus hierop het geld terug betalen, wat hij beloofde zo spoedig mogelijk te zullen doen.‘“’
In 1630 moest Bernhardus als novitius preken. Hij deed dit over Lucas 12:35-39. De preek beviel redelijk. “) Op 29 oktober 1630 trouwde hij met Haesje Helinge uit Assen, dochter van de deurwaarder Johan Helinge. Kort ervoor was hij als predikant beroepen te Gasselte als opvolger van zijn vader. Zijn vader zal het als afgezet predikant niet gemakkelijk hebben gehad. Toen deze in 1633 om teruggave van zijn bijdrage uit de weduwenkas vroeg, kreeg hij nul op het request. Door de godvruchtigheid en de armoede van zijn vrouw, kreeg Cuperus toch nog 30 gulden. Bernhardus en zijn vrouw moesten echter wel goed voor hun moeder, resp. schoonmoeder zorgen. Fabricius bood de synode hiervoor zijn verontschuldigingen aan, waarmee de zaak als afgedaan werd beschouwd?
In 1634 verzorgde Bernhardus de sluitingspreek op de synode, waarbij hij preekte over Ps. 133. Een jaar later werd hem door de synode opgedragen zich vriendelijker tegenover zijn gemeente te gedragen. De aanmaning had blijkbaar effect gehad want bij de visitatie in 1636 waren er geen klachten meer.19) In 1638 was hij visitator, evenals in 1660 en 1668. Namens de classis Rolde was hij diverse malen afgevaardigde naar de synode: 1634, 1637, 1638, 164 1, 1647, 1650, 1652, 1657 en 1668. Op 21 maart 1670 overleed hij in zijn woonplaats en werd opgevolgd door zijn zoon Lodewijk.?“)
Uit dit huwelijk:
1. Johan Helynge Fabricius, geboren/gedoopt op 2/9-9-1632 te Gasselte (zie IIIa).
2. Samuel Fabricius, geboren/gedoopt op 24/3 1% 1634 te Gasselte (getuige: grootmoeder Cuperus).
3. Johannes Cuperus Fabricius, geboren/gedoopt op 24-6/3-7- 1637 te Gasselte, mogelijk overleden op 25 juli 1713 te Gasselte 2), (getuigen: Albert Helinge to Buynen, Wyllem
Helynge en [...] Albert Helynges vrouw).
4. Fossa Fabricius, gedoopt op 3-4-1638”’ te Gasselte (getuigen: Vrouw Sluyters, min broeder Lodewick).
5. Hille Heelinge Fabricius, gedoopt op 10-4- 1641 te Gasselte (getuigen: J[ . ..] Alting en Lodewijk [Fabricius?]), gehuwd op 6-12-1668 te Gasselte met Hesselus Vliege, chirurgijn.
Uit dit huwelijk:
a. (ws.) Theko Hesselus Vliege, geboren te Grijpskerk, gehuwd op 18-10- 1705 te Gasselte met Vreda Lammina Fabricius, gedoopt op 19- IO- 1683 te Gasselte, dochter van Albertus Coerdts (Conradus) Fabricius en Machteld Schukking.
6. Ludovicus Fabricius, predikant Gasselte 1671-1673, gedoopt op 5-2-1643 te Gasselte, overleden op 7-3- 1673 te Gasselte.
Lodovicus werd samen met zijn broer Albertus (Conradus) per 3-11-1662 als student te Groningen ingeschreven. Achter hun namen wordt vermeld: “gratis quia pastoris Gasseltdni filii”: gratis omdat zij zonen zijn van de Gasselter predikant.
7. Albertus Coerdts (Conradus) Fabricius, gedoopt op 6-12-1646 te Gasselte (zie IIIb).
8. Peutsjen Fabricius, gedoopt op 25-7-1652 te Gasselte, overleden 13-1-1724 te Gasselte, begraven 21-1-1724 aldaar, gehuwd (1) op 16-11-1679 te Gasselte met Jan Jans
Kloeck, geboren te Gasselte, kleermaker, overleden 13-7-1686 te Gasselte; gehuwd (2) ca. 1687 met Harm Lavinge, geboren (Benneveld?), kleermaker, overleden op 18-3-1707 te Gasselte.
Uit het eerste huwelijk:
a. Bernhardus Jans Kloeck, gedoopt op 1-1-1681 te Gasselte, overleden op 1-8- 168 1 aldaar. In doopboek staat: “na Bernhardus Fabricius, in zijn tijd pastor tot Gasselte”.
b. Jan Jans Kloeck, gedoopt op 27.8- 1682 te Gasselte, overleden op 20-11-1691 te Gasselte.
c. Hasijntje Jansens Kloeck, gedoopt op 4-5-1684 te Gasselte, overleden na 1734, gehuwd (1) op 9- 12-1703 te Gasselte met Albert Alberts Scholten, geboren ca 1680 te Rolde, kleermaker, overleden op 6-9-1727 om 16.00 uur te Gasselte, begraven op 12-9-1727 aldaar, zoon van Albert Scholten, ondertrouw/trouw (2) op 6-12-1733/24-1-1734 te Bellingeweer/Gasselte, met Jan Louwerents, geboren ca 1676 te Gasselte, begraven 11-3-1746 te Gasselte, wedr. van Harmtien Luichiens Brants, mog. zoon van Louwerens Christiaans en Roelofje Wolters.
Uit het tweede huwelijk:
d. Jantje Lavinge, gedoopt op 1-1-1688 te Gasselte, gehuwd op 24-11-1715 te Gasselte met Geert Everts, gedoopt op 9-2-1690 te Gasselte, overleden 2-1-1738 te Gasselte, begraven 10-1-1738 aldaar, zoon van Evert Geerts, rademaker en timmerman en Egbertje Jansen.
e. Hillichjen Laving, gedoopt op 2- 11-1690 te Gasselte, overleden op 15-2- 169 1 te Gasselte.
IIIa. Johan Helynge Fabricius, geboren/gedoopt op 2/9-9-1632 te Gasselte (getuigen: grootmoeder van Assen en “moy Greta”), mogelijk overleden op 12-2-1680 te Gasselte,“’ gehuwd op 24-8-1656 te Gasselte met Warmolda Hamming, geboren ca. 1616 te Bonnen, overleden februari 1673 te Gasselte, dochter van (olde) Johan Hamming, landbouwer en
Lutchertien Bronniger, weduwe van Jan Tebing. Johan Helynge Fabricius werd genoemd naar zijn grootvader te Assen. Hij werd als filiosofiestudent ingeschreven te Groningen op 26 november 1649 en was volgens de inschrijving 18 jaar.
Uit dit huwelijk:
1. Jannes Tubinga Fabricius, gedoopt 19-4- 1657 te Gasselte (zie IVa).
2. dochter Fabricius, gedoopt 11-11-1658 te Gasselte. ZA)
3. Jan Heelingha Fabricius, gedoopt 7-1 l- 1661 te Gasselte (zie IVb).
IVa. Jannes Tubinga Fabricius, gedoopt 19-4-1657 te Gasselte, overleden na 1692 te Gasselte, ondertrouw 1675 te Zuidlaren, gehuwd op 18-4-1675 te Gasselte met Aeltjen Brants,
geboren ca. 1650 te Gasselte, overleden op 17-2-1692 te Gasselte, weduwe van Jan Alberts. Jannes Tubinga Fabricius is vermoedelijk genoemd naar de eerste echtgenoot van zijn moeder: Jan Tebing.
Uit dit huwelijk:
1. Warmoltjen Hamminge Fabricius, geboren/gedoopt 8/19- 12- 1675 te Gasselte, overleden 6-1-1676 aldaar.
2. Bernhardus Fabricius, geboren/gedoopt 3 1- 10/5- 1 l- 1676 te Gasselte, overleden op 6-11-1676 aldaar.
3. Jeyetjen Fabricius, gedoopt op 7-10-1677 te Gasselte, overleden op 25-10-1677 aldaar.
4. Greta Fabricius, gedoopt 6- 10-1678 te Gasselte, overleden 17-10-1678 aldaar.
5. Grietjen Fabricius, gedoopt 20-4- 1684 te Gasselte, overleden 23-6- 1684 aldaar.
IVb. Jan Heelingha Fabricius, gedoopt 7- 1 l- 1661 te Gasselte, begraven te Gasselte 12-1-1740 (?) (als Jan Heling) gehuwd op 4-12-1682 te Gasselte met Jantje Jansen, overleden op 16-1-1709 te Gasselte.
Uit dit huwelijk:
1. Warmoltjen Fabricius, gedoopt op 11-2-1683 te Gasselte, overleden op 10-3-1683 te Gasselte.
2. Warmoltjen Fabricius, gedoopt op 6-1-1684 te Gasselte, overleden 1686 te Gasselte.
3. Jan Fabricius, gedoopt op 11-3-1687 te Gasselte.
4. Jan Tebinge Fabricius, gedoopt op 15- 12- 1689 te Gasselte, overleden op 8- 1 l- 17 12 te Gasselte.“)
5. Warmoltjen Fabricius, gedoopt op 31- l- 1692 te Gasselte, gehuwd op 22-5- 17 18 te Gasselte met Harmen Harms Huls, gedoopt op 14-3- 1686 te Gieten, zoon van Harmen
Huls.
Uit dit huwelijk:
a. Harm Harms Huls, gedoopt op 13-10-1720 te Gasselte, begraven op 14-12-1723 te Gasselte.
b. Jantien Huls, gedoopt op 1 l- 1 O- 1722 te Gasselte, begraven op 29- 1 l- 1723 te Gasselte.
c. Harm Harms Huls, gedoopt op 24-9-1724 te Gasselte.
d. Jantien Harms Huls, gedoopt op 18-5-1727 te Gasselte.
e. Grietien Harms Huls, gedoopt op 28-1-1731 te Gasselte, begraven op 8-6-1742 te Gasselte.
6. Aeltjen Fabricius, gedoopt op 3-11-1694 te Gasselte.
7. Tys Fabricius, gedoopt op 16-10-1701 te Gasselte.
IIIb. Albertus Coerdts (Conradus) Fabricius, predikant Gasselte 1674-1715, gedoopt op 6-12-1646 te Gasselte, overleden 1715 te Gasselte, gehuwd (1) op 2-5-1674 te Gasselte met
Lammechien Tebing, gedoopt op 21-8- 1653 te Gasselte, overleden op 17-9-1681 te Gasselte, dochter van Luichjen Tebing en Aelheyt Hidding, gehuwd (2) op 10-12-1682 te
Gasselte met Machteld Schukking, geboren te Koekange, overleden op 21-9-1712 te Gasselte, dochter van Anthonius Schukking (predikant Koekange 1655-1679 en Rolde -1679-
1716) en Vreda van Keppel Vox.
Albertus Conradus Fabricius (zoals hij zelf meestal tekende) werd in 1662 samen met zijn oudere broer Ludovicus ingeschreven als student theologie te Groningen. In 1674 werd hij beroepen als opvolger van zijn overleden broer Lodewijk. Vier jaar later, in 1678, preekte hij voor de synode over Romeinen 8:1, welke preek wel goed beviel. Hij werd daarop als lid van de synode toegelaten.
Uit het eerste huwelijk:
1. Aeltjen Fabricius, geboren/gedoopt op 17/21-3- 1675, te Gasselte, overleden op 3-10-1680 aldaar.
2. Hillichjen Fabricius, geboren/gedoopt op 27-ll/l-12-1678 te Gasselte, gehuwd (1) ca 1698 met Roelof Hilbrants, gedoopt op 26-1-1679 te Anloo, overleden ca. 1709 te Anloo, zoon van Berent Hilbrants en Bouchjen Eppens; gehuwd (2) ca 1710 met Jan Wolters Emmen, overleden na 1728, zoon van Wolter Emmen.
Roelof Hilbrants en Hillechien Fabricius verkochten op 5-12-1705 een huis te Gasselte aan Arent Dillinck van Drouwen.“’
Uit het eerste huwelijk:
a. Lammichien Roelofs Hilbrants, gedoopt op 7-8- 1698 te Anloo, overleden na 1740 te Rolde, gehuwd (1) voor 1728 Jan Jans Karst, geboren te Schipborg, gedoopt op 27-4-1684 te Anloo overleden ca 1733 te Rolde, zoon van Jan Karst en Marchje Jans, ondertrouw (2) op 16-4-1734 te Rolde met Jan Roelofs, geboren te Rolde. (Haar zoon Bernardus Jans Karst (* 1732) was in 1758 als zesentwintigjarige jongen betrokken bij het grote schandaal rondom de sodomitische predikant van Odoorn, Gerardus Klink. Hij verklaarde tijdens dat proces omstreeks 1750 bij Klink te hebben geslapen.2)
b. Eppo Roelofs, gedoopt op 21-01-1700 te Anloo, overleden op 27-02-1704 te Anloo.
c. Albertus Conradus Hilbrants, gedoopt op 05-03-1702 te Anloo.
d. Heyltje Roelofs Hilbrants, gedoopt te Anloo, overleden op 22-04-1704 te Anloo.
Uit het tweede huwelijk?
e. Wolter Jans Emmen, gedoopt op 06-12-1705 te Anloo, overleden na 1742, gehuwd op 30-03-1732 te Anloo met Albertje Roelofs Steenge, geboren ca 1710 te Annen, dochter van Roelof Steenge.
f. Bernhardus Emmen, commies, gedoopt op 24-09-1719 te Anloo, gehuwd op 27-09-1750 te Zuidlaren met Lammina Voscuil, geboren te Groeve.
g. Albertus Conradus Emmen, gedoopt op I4-06-1722 te Anloo.
3. Aeltjen Fabricius, geboren/gedoopt op 12/13-8-1681 te Gasselte, overleden op 11-8-1690 aldaar.
Uit het tweede huwelijk:
4. Vreda Lammina Fabricius, gedoopt op 19-10-1683 te Gasselte, gehuwd op 18-10-1705 te Gasselte met Theko Hesselus Vliege, geboren te Grijpskerk, ws. zoon van Hesselus Vliege, chirurgijn en Hille Heelinge Fabricius (11.5).
5. Bernhardus Fabricius, geboren/gedoopt op 2/8-3-1685 te Gasselte, overleden op 16-12-1686 aldaar.
6. Bernhardus Fabricius, gedoopt op 11-3-1687 te Gasselte, hulppredikant te Gasselte, overleden op 8-6-1711 aldaar. Bernardus Fabricius werd op 2-9-1705 als student theologie te Groningen ingeschreven.
7. Hasina Johanna Fabricius, geboren/gedoopt op 23/24-1-1689 te Gasselte, overleden na 1731, gehuwd op 14-5-1713 te Gasselte met Warnerus Emmen, geboren 1682 te Steenwijk, predikant Gasselte 1715, overleden op 27-7-1746 te Gasselte, zoon van Hendrik Emmen en Hendrina Yselmude.
Uit dit huwelijk:
a. Henrina Machtelt Emmen, geboren/gedoopt op 19/25-3-1714 te Gasselte, overleden op 26-07-1714 aldaar.
b. Magtelda Emmen, gedoopt op 10-12-1724 te Gasselte.
c. Hinderina Emmen, gedoopt op 10-12-1724 te Gasselte.
d. Anna Emmen, gedoopt op I3-3- 1726 te Gasselte.
e. Albartus Hendrik Emmen, gedoopt op 1-2-1728 te Gasselte.
f. Hindrik Emmen, predikant Nieuwenhoorn 1765, gedoopt op 23-12-1731 te Gasselte, overleden op 3-10-1779 te Nieuwenhoorn.
8. Cornelius Hendrick Fabricius, geboren/gedoopt op 14/18-11-1692 te Gasselte, overleden op 1-9-1696 aldaar.
9. Cornelia Henrica Fabricius, geboren/gedoopt op 25/27-3-1698 te Gasselte, overleden op 2-6-1705 aldaar.

Noten
1. F.A. van Lieburg Repertorium van Nederlandse hervormde predikanten tot 1816, deel I: predikanten (Dordrecht 1996), 141; RAD, NH Gemeente Gasselte inv.nr. 3: “bin ich Johannes Cuperus van Dil....]; zijn zoon Bemhardus werd ook als “Dillenburgo, Nassovius” ingeschreven aan de universiteit.
2. E.E. Harkenroth Geschiedenissen, behoorende tot de moederkerke in Emden en Oost-Friesland. I. Boek (Harlingen 1726) 330.
3. J. Reitsma en S.D. van Veen Acts der Provinciale en Particuliere synoden gehouden in de Noordelijke Nederlanden gedurende de jaren 1572-1620, VII (Groningen 1898) 197.
4. Volgens Van Lieburg Repertorium van Nederlandse hervormde predikanten tof 1816, deel 2: gemeenten (Dordrecht 1996), kolom 102, was ene Michaël Toxites van 1601-1611 predikant te Gasselte.
5. J. Reitsma en S.D. van der Veen Acts der provinciale en particuliere synoden, gehouden in de Noordelijke Nederlanden gedurende de jaren 1572-1620, deel 8: Drente 1598-1620 (Groningen 1899), 133.
6. Ibidem, 8, 141.
7. Ibidem, 189.
8. T.A. Romein De hervormde predikanten van Drenthe, sedert de hervorming tot in 1861 (Groningen 1861) 54-55
9. J.W.T.M. Beekhuis-Snieders Nadere toegang op de protocollen van de Provinciale Synode van Drenthe (1622-ISOY), 389.
10. Beekhuis-Snieders, Nadere toegang, 392.
l l . NH Gemeente Gasrelte, invnr. 6. De vrouw van Cuperus was kort voor haar vertrek naar “Curpfalz” nog getuige bij de doop van haar kleinzoon Samuel.
12. Volgens Van Lieburg een broer van Bernardus en geboren te Gassehe ca. 1631. Dit kan niet kloppen, aangezien “min broeder Lodewick” in 1638 als getuige optreedt bij een van Bernhardus’ kinderen.
13. Romein, Predikanten in Drenthe, 55.
14. E.F. Harkenrodt Geschiedenissen behoorende tot de moederkerke, 330.
15. NH Gemeente Gasselte, inv.nr. 6, le folio: biografische gegevens betreffende Bernardus Fabricius.
16. Beekhuis-Snieders Nadere toegang, 149; de mededeling van Romein Hervormde predikanten van Drenthe, 55, dat hij met haar gehuwd zou zijn is derhalve niet correct. Er is slechts sprake van doen van trouwbeloften. De daadwerkelijke huwelijksvoltrekking voor de kerk heeft dan nog niet plaats gehad.
17. Beekhuis-Snieders Nadere toegang, 28.
18. Beekhuis-Snieders Nadere toegang, 382 en 40.
19. Beekhuis-Snieders Nadere toegang, 240 en 400.
20. RAD, Archief classis Rolde, inv.nr. 3.
2 1. Als Johannes Fabricius Tebing, mijn ouder broeder (geschreven door A.C. Fabricius). Mogelijk werd hij tevens Tebing genoemd vanwege het feit, dat hij met de weduwe van Jannes Tebing was gehuwd.
22. Doopdatum kan eveneens 5 april zijn. Deze doop is alleen te vinden op de eerste pagina van het doopboek bij de biografische gegevens van Bernhardus Fabricius. De overige dopen zijn ook in het doopboek terug te vinden.
23. In het overlijdensregister staat Johan Tebinge, anders Fabritius. Mogelijk werd hij als zodanig aangeduid, omdat hij gehuwd was met de weduwe van Jannes Tebing.
24. Volgens het dossier Tebinge bij het Centraal Bureau voor Genealogie zou zij Lutchertien Fabricius zijn, gehuwd met Luichien Schutte. Qua vernoeming zou dit kunnen kloppen (n.1. vernoemd naar haar grootmoeder Lutchertien Bronniger), maar het is mij niet bekend waar dit gegeven op gebaseerd is.
25. Op 8 november 1712 verdronk Jan Heling Tebing, “verstandloos en stom”, in ‘t 25e jaar. Hij is binnen de familie Tebing niet te plaatsen, aangezien er geen verbinding is met de familie Heling, immers geen Gasselter familie. De enige die in aanmerking komt (ook gezien de leeftijd) waarbij de namen Heling en Tebing begrijpelijk zijn, is deze Jan Tebing Fabricius, zoon van Jan Heling Fabricius (die waarschijnlijk ook als Jan Heling bekend stond).
26. Op 31-5-1709 betaalt Hillegin Faberit voor een begrafenis, vermoedelijk die van haar man.
27. RAD, Collectie diversen, inv.nr. 166.
28. RAD, Archieven van de Etstoel, invnr. 9, dossier 141.
29. Uit het tweede huwelijk kunnen meer kinderen zijn geboren. Het doopboek van Anloo vertoont een hiaat tussen 1705 en 1715.