Lidewij Piek
De
eerste bladzijde van de historie van het Nederlandsche Baptisme begint met - de
200 jaar geleden geboren - Dr. Johannes Elias Feisser, predikant te
Gasselternijveen. Op 15 mei 2005 is met het plaatsen van een herinneringszuil
in Gasselternijveen herdacht, dat 160 jaar geleden de eerste baptisten in ons
land hier werden gedoopt.
“Het Nederlandsche Baptisme is een plant van eigen bodem.
Het schoot op uit de dorre aarde van het geestelijk-arme Drenthe. Als een
nietig heidestruikje. Het brak zich baan in het gemoed van een man, die
de onpersoonlijkheid en plichtmatigheid der volksreligie moede, met hartstocht
een vrije, zuivere gemeente zocht, naar apostolisch ideaal, rijk aan
persoonlijk geloof en broederlijken gemeenschapszin.”
Bovenstaande is ontleend aan het begin van Wumkes’ boek: Opkomst en vestiging van het Baptisme in
Nederland. Sneek
1912.
Het baptisme is inhoudelijk meerdere malen beschreven.
Johannes Elias Feisser is afkomstig uit Winsum (Gn). Zijn
grootvader was in 1747 geboren te Homburg bij Frankfurt am Main en zijn
grootmoeder, Anna Heines Carsjens, kwam uit Middelstum. Grootvader streed in
enkele oorlogen in dienst van de Nederlanden en nam als
kapitein-kwartiermeester deel aan het beleg van Maastricht (1794). Zijn laatste
jaren woonde hij te Solwerd (bij Appingedam); hier is hij in 1813 overleden.
De vader van dominee Feisser (1773 - 1848) is ook militair.
Als jong vaandrig maakt ook hij het beleg van Maastricht mee en schrijft er een
dagverslag over. Hij huwt in 1805 met Anna Maria Bouer, dochter van een
kalkfabrikant te Winsum. In december van hetzelfde jaar wordt Johannes Elias
geboren. In ± 1808 verhuist het gezin naar Veendam. Vader wordt er tot
rijksontvanger benoemd en blijft daar nog zo’n 30 jaar werkzaam.
Na het voorbereidend onderwijs te Veendam wordt Johannes in
1823 (op verzoek van grootmoeder) ingeschreven als student theologie te
Groningen. Hij bekwaamt zich in de “literarische en theologische studiën”, doet
elk jaar voor de grote vakantie met goed gevolg examen en vindt ook nog tijd
voor een prijsvraag, waarvoor hij een gouden erepenning krijgt. In 1827 legt
hij het proponentsexamen af voor het Provinciaal Kerkbestuur van Friesland.
Daarna bezoekt hij nog gedurende een jaar de Leidse Hogeschool. Aanvankelijk
hebben de “Nieuw Testamentische studiën” zijn voorliefde, maar onder invloed
van zijn leermeester Dr. Th.A. Clarisse te Groningen, kiest hij voor zijn
proefschrift een onderwerp uit de kerkgeschiedenis. In juni 1828, verdedigt hij
zijn proefschrift "de Vita Basilii Magni, Caesareae in Cappadocia
Episcopi" en verwerft daarmee het doctoraat in de theologie. Inmiddels
heeft hij het beroep aangenomen (1828-1831) naar het stille Lekkum en Miedum aan
de Dokkumer Ee. Hij trouwt op Ameland in 1830 met Geertruide Elisabeth Barbara
Orck, baronesse van Heeckeren, afkomstig uit Bentheim. Hij is bijna 25, zij is
17 jaar oud.
Tijdens zijn volgend pastoraat te Winschoten van 1831 tot
1833 publiceert hij "Jezus Christus of Lotgevallen en Lessen van den
Zaligmaker der Menschen" (1832), een godvruchtig boekwerkje.
Een beroep
naar Franeker (1833-1838), het Friesche
Athene, zo genoemd vanwege de plaatselijke universiteit, past hem, als man
van studie, wonderwel. Dan overvalt hem een tragedie. Zijn vrouw en twee
kinderen komen te overlijden. Ook kampt hij met zijn eigen ongezondheid. Door
verdriet overmand kan hij niet verder en de kerkenraad geeft hem eervol
ontslag. In het ouderlijk huis te Veendam vindt Feisser rust en troost. Een
halfjaar later voelt hij zich weer krachtig genoeg om zich te verbinden aan de
hervormde gemeente van Gasselternijveen, die vacant komt vanwege het vertrek
van ds. Hendrik Karel Roessingh naar Haren. Roessingh voegt hem toe: "Er
wonen vele goedaardige menschen, doch er is geen geestelijk leven." Op ’t
Nijveen bleek hij goed te voldoen. De kerk zat al gauw te vol. Op 27-10-1841
trouwt hij te Gasselte met de 20 jarige Karsiena Hovingh Wichers uit
Gasselternijveen. In deze jaren tussen 1839 en 1844 voltrekt zich een
ingrijpende verandering in zijn geloofsleven en in zijn theologische
opvattingen.
Baptist is afkomstig van het latijnse baptizare (onderdompelen), baptisma (doop), baptista (doper). De apostelen en de eerste christenen zouden op
deze manier gedoopt zijn. De kinderdoop ontstond rond het jaar 200,
nadat er een leer ontstond die stelde, dat de wedergeboorte en genade bij de
doop beginnen.
Hij raakt los van de mens-gecentreerde theologie van de Groninger richting o.a. door het lezen van geschriften van de Engelse prediker John Newton.
Gaandeweg nemen zijn bezwaren tegen de "gangbare
theologie” en tegen de organisatie van de hervormde kerk toe. Conflicten
blijven niet uit. In juni 1843 houdt Feisser een referaat voor een vergadering
in de ring Assen. Dit wordt de aanleiding tot zijn breuk met de hervormde kerk.
In augustus schrijft hij: "Waakt op!". Zijn uitspraken en afwijzing
van de kinderdoop leiden tot een "kerkelijk proces" tegen hem, met
als resultaat ontzetting uit het ambt eind 1843. Op nieuwjaarsdag 1844 verneemt
de gemeente van Gasselternijveen vanaf de kansel de beslissing van het
Provinciaal Kerkbestuur. Dominee Feisser en zijn vrouw Karsina Hovingh Wichers
staan van de ene dag op de andere op straat. Zij houden zich staande en de prediking
gaat thuis verder. Johannes neemt de pen weer op en schrijft in februari 1844
zijn tractaat: "Die den Geest Christi niet heeft, die komt Hem niet toe!
Eene noodige waarschuwing voor alle heilzoekende zielen onder de Afgescheidenen
en Niet-Afgescheidenen in Nederland". In hetzelfde jaar volgt:
"Getrouw Verhaal", waarin hij breedvoerig verslag doet van zijn
werkzaamheden en lotgevallen te Gasselternijveen.
Het baptisme vindt zijn oorsprong in een
zeventiende-eeuwse protestantse stroming in Engeland. Omstreeks 1600 ontstond
te Londen een gemeenschap die de naam ‘The Baptists’ voerde. De stichters waren
teruggekeerde ballingen die in de Nederlanden in contact waren geweest met
doopsgezinden.
Het begin
van het baptisme
Feisser raakt goed bevriend met ds. Jan de Liefde,
doopsgezind predikant te Zutphen. Ook komt hij in contact met baptisten uit
Duitsland. In Hamburg heeft de predikant Johann Gerhard Oncken in 1834 de
eerste baptistengemeente op het Europese vasteland gesticht (Oncken was in
Engeland met het baptisme in aanraking gekomen). Deze Oncken stuurt Köbner en
Remmers als afgevaardigden van zijn gemeente op pad om met Feisser en diens
opvattingen kennis te maken. Begin mei 1845 trekt Feisser naar Hamburg en maakt
er kennis met Oncken en de zijnen. Op zijn thuisreis vergezelt Köbner hem. Op
donderdag 15 mei 1845 krijgen de eerste zeven mensen op 't Nijveen het
sacrament van de doop (door de onderdompeling) toegediend door Julius Köbner.
Dit vindt plaats in een ondiepe veenvaart in de open lucht, dichtbij de
boerderij van Roelof Reiling.
Hiermee is in Nederland de eerste Baptistengemeente een
feit. Feisser is van plan nu in Gasselternijveen voortvarend aan de slag gaan,
maar dat valt bitter tegen. Hij krijgt te kampen met tegenwerking en van de
groep die zich om hem heen verzameld heeft, keert meer dan de helft hem
gaandeweg de rug toe. Vriendschapsbanden komen onder druk te staan, huren van
woningen worden opgezegd. Feisser en enkele getrouwen houden vol. Kort daarop
richten zij een adres aan Z.M. den Koning,
"strekkende ter bekoming van toelating tot het inrichten eener
Christelijke Afgescheidene gemeente." Zij bewandelden, om bij de Regering
erkend te worden, ook dezelfde weg als de Afgescheidenen. Zij geven als hun
belijdenis de gereformeerde op, met uitzondering van de doop. Bij Koninklijk
Besluit van 13 augustus 1845 wordt, op
rapport van den Minister van Eredienst van 19 juli, de verzochte toelating
aan de adressanten verleend.
In de zomer van 1849 trekt Feisser enkele maanden als
rondtrekkend predikant (te voet) door Groningen en Ost-Friesland (Dtsl.)
Uiteindelijk worden de spanningen Feisser te veel. Hij kan het lichamelijk niet
meer aan.
Weg uit Gasselternijveen
Hij vertrekt definitief uit Gasselternijveen en vestigt zich
in 1849 te Nieuwe Pekela in de verwachting daar een vruchtbaar arbeidsveld te
vinden, maar die hoop blijkt ongegrond. Een jaar later wekt de kleine gemeente
in Amsterdam nieuw vuur in hem door een beroep op hem uit te brengen. Hij gaat
er heen en oogst in de hoofdstad opnieuw wrange ervaringen, in weerwil van
financiële steun vanuit Hamburg. Feisser keert terug naar Pekela, zijn
eindbestemming. Hoe hij zich de laatste jaren voorziet in zijn levensonderhoud
is niet duidelijk. Hij sterft op 2 juni 1865 en de overlijdensakte van deze
predikant, kerkstichter en doctor in de theologie vermeldt als beroep:
landbouwer.
Geraadpleegde literatuur:
G.A. Wumkes, Opkomst en Vestiging van het Baptisme in
Nederland. Sneek 1912
L. Buning, Johannes Elias Feisser op ’t Gasselternijveen.
Drenthe okt. 1977
Dit artikel verscheen in Op 't Spoor dec 2005. Het
verenigingsblad van de Historische Vereniging der (voormalige) gemeente
Gasselte.
Meer informatie in het boek van Wumkes.
Dit is op het internet te lezen.
http://www.totheildesvolks.nl/jdeliefde/wumkes/hoofdstuk_1.htm