Johannes Elias Feisser  10 dec.1805 - 2 juni 1865

Lidewij Piek

 

De eerste bladzijde van de historie van het Nederlandsche Baptisme begint met - de 200 jaar geleden geboren - Dr. Johannes Elias Feisser, predikant te Gasselternijveen. Op 15 mei 2005 is met het plaatsen van een herinneringszuil in Gasselternijveen herdacht, dat 160 jaar geleden de eerste baptisten in ons land hier werden gedoopt. 

 

“Het Nederlandsche Baptisme is een plant van eigen bodem. Het schoot op uit de dorre aarde van het geestelijk-arme Drenthe. Als een nietig heidestruikje. Het brak zich baan in het gemoed van een man, die de onpersoonlijkheid en plichtmatigheid der volksreligie moede, met hartstocht een vrije, zuivere gemeente zocht, naar apostolisch ideaal, rijk aan persoonlijk geloof en broederlijken gemeenschapszin.”

Bovenstaande is ontleend aan het begin van Wumkes’ boek: Opkomst en vestiging van het Baptisme in Nederland. Sneek 1912.

Het baptisme is inhoudelijk meerdere malen beschreven.

 

Johannes Elias Feisser is afkomstig uit Winsum (Gn). Zijn grootvader was in 1747 geboren te Homburg bij Frankfurt am Main en zijn grootmoeder, Anna Heines Carsjens, kwam uit Middelstum. Grootvader streed in enkele oorlogen in dienst van de Nederlanden en nam als kapitein-kwartiermeester deel aan het beleg van Maastricht (1794). Zijn laatste jaren woonde hij te Solwerd (bij Appingedam); hier is hij in 1813 overleden.

De vader van dominee Feisser (1773 - 1848) is ook militair. Als jong vaandrig maakt ook hij het beleg van Maastricht mee en schrijft er een dagverslag over. Hij huwt in 1805 met Anna Maria Bouer, dochter van een kalkfabrikant te Winsum. In december van hetzelfde jaar wordt Johannes Elias geboren. In ± 1808 verhuist het gezin naar Veendam. Vader wordt er tot rijksontvanger benoemd en blijft daar nog zo’n 30 jaar werkzaam.

 

Studie

Na het voorbereidend onderwijs te Veendam wordt Johannes in 1823 (op verzoek van grootmoeder) ingeschreven als student theologie te Groningen. Hij bekwaamt zich in de “literarische en theologische studiën”, doet elk jaar voor de grote vakantie met goed gevolg examen en vindt ook nog tijd voor een prijsvraag, waarvoor hij een gouden erepenning krijgt. In 1827 legt hij het proponentsexamen af voor het Provinciaal Kerkbestuur van Friesland. Daarna bezoekt hij nog gedurende een jaar de Leidse Hogeschool. Aanvankelijk hebben de “Nieuw Testamentische studiën” zijn voorliefde, maar onder invloed van zijn leermeester Dr. Th.A. Clarisse te Groningen, kiest hij voor zijn proefschrift een onderwerp uit de kerkgeschiedenis. In juni 1828, verdedigt hij zijn proefschrift "de Vita Basilii Magni, Caesareae in Cappadocia Episcopi" en verwerft daarmee het doctoraat in de theologie. Inmiddels heeft hij het beroep aangenomen (1828-1831) naar het stille Lekkum en Miedum aan de Dokkumer Ee. Hij trouwt op Ameland in 1830 met Geertruide Elisabeth Barbara Orck, baronesse van Heeckeren, afkomstig uit Bentheim. Hij is bijna 25, zij is 17 jaar oud.

Tijdens zijn volgend pastoraat te Winschoten van 1831 tot 1833 publiceert hij "Jezus Christus of Lotgevallen en Lessen van den Zaligmaker der Menschen" (1832), een godvruchtig boekwerkje.

Een beroep naar Franeker (1833-1838), het Friesche Athene, zo genoemd vanwege de plaatselijke universiteit, past hem, als man van studie, wonderwel. Dan overvalt hem een tragedie. Zijn vrouw en twee kinderen komen te overlijden. Ook kampt hij met zijn eigen ongezondheid. Door verdriet overmand kan hij niet verder en de kerkenraad geeft hem eervol ontslag. In het ouderlijk huis te Veendam vindt Feisser rust en troost. Een halfjaar later voelt hij zich weer krachtig genoeg om zich te verbinden aan de hervormde gemeente van Gasselternijveen, die vacant komt vanwege het vertrek van ds. Hendrik Karel Roessingh naar Haren. Roessingh voegt hem toe: "Er wonen vele goedaardige menschen, doch er is geen geestelijk leven." Op ’t Nijveen bleek hij goed te voldoen. De kerk zat al gauw te vol. Op 27-10-1841 trouwt hij te Gasselte met de 20 jarige Karsiena Hovingh Wichers uit Gasselternijveen. In deze jaren tussen 1839 en 1844 voltrekt zich een ingrijpende verandering in zijn geloofsleven en in zijn theologische opvattingen.

 

Baptist is afkomstig van het latijnse baptizare (onderdompelen), baptisma (doop), baptista (doper). De apostelen en de eerste christenen zouden op deze manier gedoopt zijn. De kinderdoop ontstond rond het jaar 200, nadat er een leer ontstond die stelde, dat de wedergeboorte en genade bij de doop beginnen.

 

Hij raakt los van de mens-gecentreerde theologie van de Groninger richting o.a. door het lezen van geschriften van de Engelse prediker John Newton.

Gaandeweg nemen zijn bezwaren tegen de "gangbare theologie” en tegen de organisatie van de hervormde kerk toe. Conflicten blijven niet uit. In juni 1843 houdt Feisser een referaat voor een vergadering in de ring Assen. Dit wordt de aanleiding tot zijn breuk met de hervormde kerk. In augustus schrijft hij: "Waakt op!". Zijn uitspraken en afwijzing van de kinderdoop leiden tot een "kerkelijk proces" tegen hem, met als resultaat ontzetting uit het ambt eind 1843. Op nieuwjaarsdag 1844 verneemt de gemeente van Gasselternijveen vanaf de kansel de beslissing van het Provinciaal Kerkbestuur. Dominee Feisser en zijn vrouw Karsina Hovingh Wichers staan van de ene dag op de andere op straat. Zij houden zich staande en de prediking gaat thuis verder. Johannes neemt de pen weer op en schrijft in februari 1844 zijn tractaat: "Die den Geest Christi niet heeft, die komt Hem niet toe! Eene noodige waarschuwing voor alle heilzoekende zielen onder de Afgescheidenen en Niet-Afgescheidenen in Nederland". In hetzelfde jaar volgt: "Getrouw Verhaal", waarin hij breedvoerig verslag doet van zijn werkzaamheden en lotgevallen te Gasselternijveen.

 

Het baptisme vindt zijn oorsprong in een zeventiende-eeuwse protestantse stroming in Engeland. Omstreeks 1600 ontstond te Londen een gemeenschap die de naam ‘The Baptists’ voerde. De stichters waren teruggekeerde ballingen die in de Nederlanden in contact waren geweest met doopsgezinden.

 

Het begin van het baptisme

Feisser raakt goed bevriend met ds. Jan de Liefde, doopsgezind predikant te Zutphen. Ook komt hij in contact met baptisten uit Duitsland. In Hamburg heeft de predikant Johann Gerhard Oncken in 1834 de eerste baptistengemeente op het Europese vasteland gesticht (Oncken was in Engeland met het baptisme in aanraking gekomen). Deze Oncken stuurt Köbner en Remmers als afgevaardigden van zijn gemeente op pad om met Feisser en diens opvattingen kennis te maken. Begin mei 1845 trekt Feisser naar Hamburg en maakt er kennis met Oncken en de zijnen. Op zijn thuisreis vergezelt Köbner hem. Op donderdag 15 mei 1845 krijgen de eerste zeven mensen op 't Nijveen het sacrament van de doop (door de onderdompeling) toegediend door Julius Köbner. Dit vindt plaats in een ondiepe veenvaart in de open lucht, dichtbij de boerderij van Roelof Reiling.

Hiermee is in Nederland de eerste Baptistengemeente een feit. Feisser is van plan nu in Gasselternijveen voortvarend aan de slag gaan, maar dat valt bitter tegen. Hij krijgt te kampen met tegenwerking en van de groep die zich om hem heen verzameld heeft, keert meer dan de helft hem gaandeweg de rug toe. Vriendschapsbanden komen onder druk te staan, huren van woningen worden opgezegd. Feisser en enkele getrouwen houden vol. Kort daarop richten zij een adres aan Z.M. den Koning, "strekkende ter bekoming van toelating tot het inrichten eener Christelijke Afgescheidene gemeente." Zij bewandelden, om bij de Regering erkend te worden, ook dezelfde weg als de Afgescheidenen. Zij geven als hun belijdenis de gereformeerde op, met uitzondering van de doop. Bij Koninklijk Besluit van 13 augustus 1845 wordt, op rapport van den Minister van Eredienst van 19 juli, de verzochte toelating aan de adressanten verleend.

In de zomer van 1849 trekt Feisser enkele maanden als rondtrekkend predikant (te voet) door Groningen en Ost-Friesland (Dtsl.) Uiteindelijk worden de spanningen Feisser te veel. Hij kan het lichamelijk niet meer aan.

 

Weg uit Gasselternijveen

Hij vertrekt definitief uit Gasselternijveen en vestigt zich in 1849 te Nieuwe Pekela in de verwachting daar een vruchtbaar arbeidsveld te vinden, maar die hoop blijkt ongegrond. Een jaar later wekt de kleine gemeente in Amsterdam nieuw vuur in hem door een beroep op hem uit te brengen. Hij gaat er heen en oogst in de hoofdstad opnieuw wrange ervaringen, in weerwil van financiële steun vanuit Hamburg. Feisser keert terug naar Pekela, zijn eindbestemming. Hoe hij zich de laatste jaren voorziet in zijn levensonderhoud is niet duidelijk. Hij sterft op 2 juni 1865 en de overlijdensakte van deze predikant, kerkstichter en doctor in de theologie vermeldt als beroep: landbouwer.

 

Geraadpleegde literatuur:

G.A. Wumkes, Opkomst en Vestiging van het Baptisme in Nederland. Sneek 1912

L. Buning, Johannes Elias Feisser op ’t Gasselternijveen. Drenthe okt. 1977

 

Dit artikel verscheen in Op 't Spoor dec 2005. Het verenigingsblad van de Historische Vereniging der (voormalige) gemeente Gasselte.

 

Meer informatie in het boek van Wumkes.

Dit is op het internet te lezen.

http://www.totheildesvolks.nl/jdeliefde/wumkes/hoofdstuk_1.htm